Kom maar mee, dan zul je het zien

Hij brengt haar thuis“Kom maar mee.” Dat zeggen we weleens tegen iemand die eigenlijk liever eerst wil weten waar het precies naartoe gaat. Maar vaak weten we dat zelf ook niet altijd zo goed, en dan zeggen we: kom maar mee, dan zul je het zien. Heb vertrouwen, kom nou maar.

Welkom vanochtend hier in de Boskapel. Misschien ben je voor het eerst hier en heeft vanochtend iemand tegen je gezegd: Kom maar mee. Maar ook als je vaker komt dan zul je intussen weten dat het altijd wel eerder een kwestie is van ‘Kom maar mee’ dan van dat we het altijd zo precies weten waar we uitkomen.

Vanochtend lezen we het evangelie waarin Jezus zijn leerlingen roept. Hoewel, eigenlijk is het eerder zo dat de leerlingen hem vínden. ‘Roepen’ heeft eerder iets van zeker weten waartoe, maar in ons evangelie gaan ze ‘maar’ samen op weg. “Kom maar mee,” zegt Jezus, “dan zul je het zien.”

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen

Overweging

Lezing: Johannes 1, 35-42

“Waar logeert u?” Als kind had ik voor het slapengaan een kindergebedje:

Ich bin klein
mein Herz ist rein
soll niemand drin wohnen
als Jesus allein.
Amen

Je zou het kunnen vertalen met: ‘Ik ben klein, mijn hart is rein, dat het de woning van Jezus mag zijn.’ Ik weet nog dat ik van die laatste zin eigenlijk alleen maar de klanken opzegde, want de woorden begreep ik gewoon niet, hoe zou Jezus nou in een hart kunnen wonen. En als ik het al had begrepen dan vraag ik me af of ik het dan niet veel te groots had gevonden om dat elke avond te bidden. — Waar logeert u? — En ik wist natuurlijk ook niet dat Augustinus daar zijn hele spiritualiteit op stoelde: Christus woont in de innerlijke mens. Daarom: keer terug naar je hart!

In ons evangelie vragen de twee toekomstige leerlingen: “Rabbi, waar logeert u?” — Dat is bijna een frivole vraag. Het doet een beetje denken aan bekende filmscènes waarin hij haar naar huis brengt — waar woon je? — en voor dat ze bij de voordeur uit de auto stapt de spanning of hij nog wel mee naar boven mag voor een afzakkertje, en misschien nog meer.

Waar logeert u? is dus niet zomaar en vraag. Johannes heeft Jezus gedoopt en zegt over Jezus: daar is het lam van God. Dat is natuurlijk een en al theologie want als de evangelist Johannes zijn evangelie schrijft is bij zijn lezers al lang duidelijk dat Jezus aan het kruis als een offerlam gestorven is. Dat is dus anders dan afgelopen zondag toen we een stukje uit het Marcusevangelie lazen. Marcus wil zijn lezers stap voor stap nog laten ontdekken wie Jezus is. Maar bij Johannes is dat al lang duidelijk.

De leerlingen die achter Jezus aan lopen hoeven dan ook niet eerst nog een beleefd gesprekje aan te knopen, maar ze kunnen meteen met de deur in huis vallen: Waar logeert u? Ze hoeven dus niet als in de film in spanning af te wachten of ze nog mee naar boven mogen, nee, als ze vragen “waar logeert u?” betekent dat: wij willen bij u blijven, we willen ons leven met u delen, wij willen bij u wonen. — En Jezus antwoordt net zo direct: “Kom maar mee, dan zul je het zien.”

Maar vervolgens wordt er niet verteld waar Jezus logeert, alleen dat ze meegingen en dat ze het zagen. Het gaat namelijk ook niet om de vraag in welk huis Jezus onderdak heeft gevonden, maar het gaat om de vraag waar hij eigenlijk logeert.

Christus woont in de innerlijke mens, zegt Augustinus. Keer terug naar je hart. Daarbuiten dool je rond vervreemd van jezelf. Je kent jezelf niet eens en je zoekt Hem door wie je gemaakt bent!? — Is het toch een beetje als in de film? Hij brengt haar naar huis en eigenlijk weten allebei al lang dat ze niet meer zonder elkaar kunnen, dat ze zonder de ander nooit meer compleet zullen zijn, dat ze pas met elkaar zullen uitgroeien tot wie ze werkelijk zijn. Daarbuiten, zonder de ander dool je rond vervreemd van jezelf. En zonder de ander ken je jezelf niet. — Waar logeer je, ik wil mijn leven met je delen, ik wil bij je wonen.

“Kom maar mee, dan zul je het zien.” Voor de twee leerlingen is het al lang duidelijk dat Jezus niet in een of ander huis zijn intrek genomen heeft, nee, hij logeert in hun hart. En een van die twee, Andreas, komt zijn broer Simon tegen en zegt zonder omhaal: “We hebben de messias gevonden.” En als Simon bij Jezus komt, kijkt Jezus hem aan en zegt: “Voortaan zul je Kefas heten,” in het latijn ‘Petrus’, ‘rots’. Dat is dus de steen waarmee het logement van Jezus gebouwd wordt.

Als kind neem je alles letterlijk, dus ik snapte toen gewoon echt niet hoe dat zou kunnen dat Jezus in je hart logeert. ‘Ik ben klein / mijn hart is rein / dat het de woning van Jezus mag zijn.’ Maar ik was gelukkig ook niet bij de hand genoeg om dan te zeggen: wat een stom gebed, dat kan toch helemaal niet. Dus heb ik gewoon maar de klanken opgezegd. En misschien doen wij dat als volwassenen nog steeds niet anders. Want hoe moet dat nou ook gaan dat Jezus in jou woont? En is het niet eigenlijk veel te groot? Dan praten we over ons verlangen, dan proberen we onder woorden te brengen wat we geloven, en tegelijkertijd weten we dat onze woorden niet meer kunnen zijn dan klanken. Want de invulling van die woorden is zoveel groter dan ons hart.

Waar logeert u? vragen de leerlingen. En gaandeweg wordt duidelijk dat Jezus bij hen logeert, in hun hart. Voortaan zullen zij allemaal ‘Petrus’ heten, voortaan zullen wij de stenen zijn waarmee zijn logement wordt opgetrokken. Hoe moet dat nou gaan? In ons evangelie antwoordt Jezus: “Kom maar mee, dan zul je het zien.”

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Kom maar mee, dan zul je het zien

  1. Theo Thier schreef:

    Bij de eerste alinea kon ik een glimlach niet onderdrukken. Bij de tweede ook nog lichtelijk de wenkbrauwen omhoog. Kortom: helemaal bij de Les.
    Theo Thier

Geef een reactie