Het is jouw verrijzenis. Pasen 2015

Marcus 16, 1-8

Maria uit Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Salome gaan bij het krieken van de dag op weg om het lichaam van Jezus te balsemen. Balsemen, dat doe je om het lichaam te conserveren, om het in leven te houden. Zoals op dat moment de nacht weer overgaat in een nieuwe dag, zo moet ook de dode weer tot leven komen.

Zo gaan de drie op weg. Maar dan schiet hen te binnen dat het graf afgesloten is met een grote steen. “Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?” Maar ondertussen blijven ze toch maar gaan, en als ze uiteindelijk opkijken blijkt dat die steen al weggerold is.

Hoe vaak lopen wij niet met de hoop dat die grote steen toch eens weggerold zou zijn. Hoe vaak lopen wij niet door de nacht en maar turen of er niet toch al het eerste licht van de nieuwe dag te zien is. Hoe vaak lopen wij niet met balsem in de hoop dat we weer tot leven komen.

Sinds lang voor dat de bijbel is ontstaan, en misschien ook sinds lang voor dat er überhaupt heilige schriften van welke godsdienst dan ook zijn ontstaan, delen wij met elkaar onze ervaringen van uiteindelijk toch weggerolde stenen, vertellen we elkaar van licht dat er weer doorheen komt, en delen we met elkaar onze momenten van balsem en nieuw leven.

Het zijn verhalen van hoe wij sinds mensenheugenis zelf telkens weer verrezen zijn en hoe wij nog steeds verrijzen. En inmiddels zijn deze verhalen op zichzelf tot balsem geworden, ze vertellen niet alleen meer over het heden en verleden, maar ze vertellen ook hoe we zúllen verrijzen.

In onze traditie is dat bijvoorbeeld het verhaal van de schepping geworden. Hoe we verrezen zijn uit ‘chaos en leegte’, uit ‘duisternis’ zo donker als een graf onder een grote steen. Of het verhaal van de doortocht door de zee. Midden in de nacht zijn we op weg gegaan, weg uit de slavernij van Egypte, en als Israël in het eerste licht van de dag opkijkt blijkt het water van de zee weggerold te zijn. Of het verhaal van Elia die geen uitweg meer ziet. -Ik loop alsmaar met balsem, maar wat ik ook begin het komt niet tot leven; laat me maar sterven- En die opeens brood en wijn vindt, voedsel voor zijn lichaam en balsem voor zijn ziel.

Allemaal verhalen van verrijzenis. En ooit zijn deze verhalen in de bijbel terecht gekomen, en dat heeft zo zijn voordelen en nadelen. Het voordeel is, dat ze bewaard blijven, en dat we ze bijvoorbeeld in de paasnacht opnieuw kunnen horen. Maar het nadeel is dat we denken dat ze in de bijbel horen en dat we weleens vergeten dat het onze eigen verhalen zijn. Dat het gaat om je eigen verrijzenis.

De afgelopen weken in de veertigdagentijd hebben we hier in de vieringen gemijmerd over ‘iemand worden — iemand zijn’. Over hoe de stroom van ons leven verandert als hij tegen stenen aanloopt, zoals hier in het water. Maar ook hoe wijzelf veranderd worden door het water, hoe onze ruwe steen geslepen en gepolijst wordt, hoe de overtollige steen afgeslepen en weggerold wordt totdat aan het licht komt wie we ten diepste zijn en wie we mogen worden. Na de viering mag u “uw eigen” steen meenemen.

Maar ook buiten de vieringen hebben we ons in twee workshops verdiept in de eigen momenten van ons leven waar wie we zijn en wie we mochten ‘worden’ op het spel stond . En we hebben het zo niet genoemd, maar in feite hebben we gekeken naar de momenten waar je verrezen bent.

Wat zijn jouw momenten waar de steen eindelijk weggerold werd? Wat zijn jouw momenten waar het na een lange nacht toch weer dag werd? Wat zijn jouw momenten waar de balsem is gaan werken en waar je opnieuw tot leven kwam?

Zou ik het nu niet zo langzamerhand over de verrijzenis van Jezus moeten hebben? Ja, natuurlijk. Maar de evangelist Marcus gaat daar op een hel bijzondere manier mee om. Hij vertelt over een in wit geklede jongeman die zegt: “Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazareth die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk dat is de plaats waar hij was neergelegd.” En vervolgens eindigt Marcus met: “Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.”

Hij vertelt het, maar hij vertelt het ook weer niet. Hij staat veel uitgebreider stil bij de vrouwen, dan bij Jezus. Hij noemt ze uitgebreid met naam en toenaam: Maria uit Magdala, en Maria de moeder van Jakobus, en Salome. Uitgebreid vertelt hij over hun balsem van het nieuwe leven, over het eerste licht van de zonsopgang en over de steen die weggerold is, en op het moment dat hij de verrijzenis van Jezus groot zou kunnen uitmeten zegt hij alleen maar dat de vrouwen tegen niemand iets zeiden.

Natuurlijk wil Marcus wel over de verrijzenis van Jezus vertellen, maar dan is weer het gevaar dat het een mooi verhaal blijft, opgesloten in een bijbelboek. Nee, de verrijzenis van Jezus, dat is vooral ónze verrijzenis. Het is de verrijzenis van de drie vrouwen, van Israël, van Elia. Het is onze verrijzenis vanaf de schepping tot op de dag van vandaag en tot waar de tijd overgaat in eeuwigheid. Het is jóuw verrijzenis.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie