Dronken van God – Pinksteren 2015

Lezing: Een gedeelte uit een Pinksterpreek van Augustinus en Handelingen 2,1-13

Naast de taal die we met elkaar spreken hebben we ook een andere taal nodig. Een taal van wat ons met elkaar verbindt en wat ons tegelijkertijd overstijgt. Wij christenen noemen het wellicht de taal van God, maar we kunnen van daag op Pinksteren beter zeggen: de taal van de Heilige Geest, want die waait waar hij wil door alle godsdiensten en culturen. Vandaag gaat het om die andere taal, een andere taal die je misschien zelfs beter verstaat dan de taal die je spreekt.

We hebben die taal nodig, en we hebben plekken nodig waar die taal mag klinken. Zoals je het bijvoorbeeld nodig hebt dat de ander ook de dingen verstaat die je niet gezegd hebt maar die je wel bedoeld hebt. Of dat je elkaar alleen maar aanraakt, vasthoudt, zonder woorden; dat je met elkaar gewoon stil kunt zijn en elkaar toch verstaat. — Die taal heb je nodig.

Het is een taal niet alleen van wat je kunt zeggen en wat je kunt benoemen, maar een taal die een beetje werkt als de wijn: die je verstand een beetje benevelt omdat ze juist voorbij je verstand wil verder wil reiken naar je hele lichaam, naar je hart en naar je hele zijn. Een taal die je niet zozeer hoort en spreekt, maar die je eerder doordringt. Want dat wat je in die taal wilt zeggen overstijgt alle woorden, en het overstijgt ook jezelf.

Misschien heeft Augustinus dat bedoeld toe hij zei “anderen worden dronken van de wijn, aan ons is het om dronken te worden van God.” God die verstaat wat je niet gezegd hebt, die je aanraak, je vasthoudt, die met je stil is, en dat je elkaar toch begrijpt en verstaat. — “Ze zullen wel dronken zijn,” zeggen de mensen als ze die taal opeens kunnen begrijpen en verstaan. Vandaag vieren we die taal, die taal waar je dronken van wordt. En we staan stil bij de ruimte waarin die taal mag klinken.

Afgelopen zondag liepen we door Londen, en midden in de drukte van mensen en verkeer en schreeuwerige reclame waren daar de kerken. Door de week doen ze mee aan de taal van de drukte en mag je voor heel veel geld de gebouwen bezichtigen; maar op zondag waren de kerken voor de taal van de commercie en van de snelle fotostops gesloten. Op zondag waren ze juist open voor die andere taal. Op zondag mocht je er dan ook gratis in om deel te nemen aan de vieringen.

Het was al een verademing om uit de drukte van de stad de rust en de ruimte van de kerk binnen te komen, maar toen eenmaal de rituelen begonnen en het koor begon te zingen toen werd je ook nog eens meegevoerd naar de hemel. Hier klopte helemaal wat Augustinus zegt: “anderen worden dronken van de wijn, aan ons is het om dronken te worden van de gezangen voor God.” — Het was echt om er dronken van te worden. We hebben die dag dan ook maar liefst drie vieringen meegemaakt, een eucharistieviering en nog twee evensongs. — Maar ik vond het vooral fascinerend dat midden in de kakofonie van de drukke stad er ruimte was voor die andere taal.

Die ruimte voor de andere taal vonden we trouwens ook toen we later op The Mall liepen, die brede allee naar het Buckingham paleis. Midden in de stad, op de duurste grond van het land was er ruimte gemaakt waar je samen viert wat je bindt en wat je overstijgt. En op dagen dat er geen parades plaatsvinden en er geen gouden koetsen rijden loopt iedereen een beetje te slenteren en ontmoet je elkaar in het park ernaast bij het picknicken. Midden op de duurste plek van het land was er ruimte gemaakt voor wat waardevoller is dan alles wat je kunt kopen.

In Nederland maken we er ook plek voor, bijvoorbeeld op De Dam, of op het Museumplein, of op het Malieveld. Hier in Nijmegen hebben we de Waalkade, het Valkhofpark, het Kronenburgpark en misschien de Wedren. Maar eigenlijk nóg centraler en op de allerduurste grond staan in Nijmegen juist de kerken: De Stevenskerk en de Molenstraatkerk. Midden in onze samenleving hebben we dit soort plekken nodig. We hebben plekken nodig waar die andere taal klinkt en waar je dronken kunt worden.

Nu doen we in de samenleving er vaak alles aan om niet dronken te worden. We hebben campagnes om het alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen. En alcohol in het verkeer is natuurlijk al helemaal niet toegestaan. — Maar gek genoeg doen we in onze samenleving er ook alles aan om niet dronken te worden van God. We noemen het dan ‘scheiding van kerk en staat’, maar ondertussen is het doorgeschoten naar een scheiding van religie en openbare ruimte. In het openbaar spreek je de taal van de feiten, en als je de andere taal wilt spreken dan doe je dat maar thuis in je privé-omgeving.

Begrijp me goed: het gaat me niet om de positie van de kerken, maar het gaat me erom dat we met zijn allen die andere taal weer spreken. En dan mag die rustig klinken met een islamitisch accent of met een gereformeerde tongval of met spiritueel ongebonden klemtonen, als we die andere taal maar weer spreken met welk levensbeschouwelijk dialect dan ook. En wat voor beelden je van het goddelijke hebt en hoe je God ook noemt, we hebben het nodig om dronken te worden van God.

De leerlingen gingen gewoon de straat op en de omstanders wisten niet wat ze hoorden. Ze verstonden wat je me geen woorden kunt zeggen, en ze begrepen wat hen met elkaar verbindt en overstijgt. “Ze zullen wel dronken zijn,” riepen ze, maar juist daarom drong de taal door tot diep in hun hart. — Laten we ruimte maken voor die taal. En niet alleen vandaag, schrijft Augustinus: “Laten we Pinksteren voortdurend blijven vieren.” Laten we voortdurend dronken worden van God.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie