Waar krijg je toch de kracht vandaan? – Witte Donderdag

Soms vraag je je af, waar krijg je toch de kracht vandaan? Als ze het je van te voren gevraagd hadden, dan had je gezegd, nee dat kan ik niet aan, dat trek ik niet, deze beker zal ik nooit kunnen drinken.

Maar dan staat die beker toch voor je en blijk je toch te kunnen wat je nooit gedacht had. Je hebt ook geen andere keus, je moet wel. Maar gaandeweg merk je dat je het ook kúnt, dat het je toch lukt. Je gunt het niemand, en als je een keuze had gehad dan had je net als Jezus in Getsemane op je knieën gesmeekt dat die beker aan jou voorbij moge gaan. Maar nu ben je al halverwege, of je hebt de beker bijna al tot op de bodem gedronken, ‘ad fundum’ zoals dat bij ouderwetse studentencorpsen heet, tot op de bodem. En je gaat echt tot op de bodem, tot op de bodem van je bestaan, de bodem van je kracht, tot waar niets meer overblijft van wat je bescherming en houvast geeft. — En toch lijkt het je te lukken, en verwonderd kijk je om je heen, waar je toch de kracht vandaan krijgt.

In de Johannespassion zingt Jezus “Soll ich den Kelch nicht trinken, den mir mein Vater gegeben hat”, en dat klinkt een beetje alsof hij zichzelf moed wil toespreken: als de Vader mij die beker te drinken geeft, dan zal ik hem toch moeten kunnen drinken?!

En dan zit hij met zijn leerlingen aan tafel om een heel andere beker te drinken. “Hoe heb ik hiernaar verlangd met u dit pascha te eten voordat ik lijden moet. Niet meer zal ik eten, niet meer zal ik de vruchten van de wijnstok drinken totdat het koninkrijk van God gekomen is.”

Hoe heb ik hiernaar verlangd met u de beker te delen. De verrader zit weliswaar mee aan tafel, en ook de leerlingen die in Getsemane in slaap gevallen waren en Jezus alleen gelaten hadden in zijn doodsangst, en ook Petrus die hem in deze nacht nog drie keer zal verloochenen. Jezus weet dat hij zijn beker helemaal alleen moet drinken, zo alleen dat hij nog zal roepen: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?

En toch is het niet zo eenzaam als het dikwijls lijkt. Het is namelijk ónze beker. Het is ónze beker die hij drinkt. Hij hangt weliswaar aan het kruis, maar hij hangt er namens ons, vanwege onze kruisen die we moeten dragen en ook vanwege de kruisen die we wellicht voor anderen zijn. Hij drinkt het bitter dat wij ook zo vaak moeten drinken, en ook het bitter dat wij, bedoeld of onbedoeld, voor anderen inschenken. — Hoe heb ik hiernaar verlangd met u de beker te drinken.

Waar krijg je toch de kracht vandaan? We drinken de beker niet alleen, ook al heb je vaak genoeg het gevoel dat je door god en de mensen verlaten bent. Hij verlangt ernaar om de beker met jou te delen.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

Geef een reactie