Verder kijken dan je kunt zien

Lezingen: 1 Sam 16, 1-13 en Joh 9, 1-41

“Dat moet je maar aan de voorzienigheid overlaten.” Zo zeggen we tegen elkaar als we verder kijken dan we eigenlijk kunnen zien. “Laat dat maar aan de voorzienigheid over.” We kunnen het niet zien, we kunnen het ook niet bewijzen, maar iets in ons zegt ons dat het goed komt. En vaak mogen we achteraf vaststellen dat er inderdaad goed voor ons gezorgd werd, dat de dingen op hun pootjes terecht zijn gekomen.

Met voorzienigheid bedoel ik natuurlijk niet dat je lekker achterover kunt leunen. Nee, met voorzienigheid bedoel ik dat je actief verder kijkt dan je eigenlijk kunt zien. Dat daar waar je ogen niets meer kunnen herkennen, dat je erop vertrouwt dat daar toch toekomst is en een weg is om te gaan. Als je dingen kunt overlaten aan de voorzienigheid dan durf je verder te kijken dan jezelf kunt zien; dan kijk je verder dan je neus lang is.

Onze beide verhalen vanochtend gaan over dit verder kijken dan je neus lang is. “Wás je maar blind,” zegt Jezus tegen de Farizeeër, dan zou je waarschijnlijk verder kunnen kijken dan alleen je dichtgetimmerde leerstellingen. —

Als je het verhaal leest van de blinde die weer kan zien, en als je vooral leest hoe de farizeeërs en schriftgeleerden met die arme man omgaan, dan heb je het idee dat je SS-officieren voor je hebt van het Nazi-regime in Duitsland tijdens de oorlog of PVV’ers die scanderen dat ze minder Marokkanen willen. Van de farizeeërs kan alleen iemand die ‘van God komt’ een blinde weer ziende maken, en omdat Jezus in hun ogen niet ‘van God komt’, kan het toch niet waar zijn dat die blinde weer ziet. Zo is hun redenering. Dus die blinde is nooit blind geweest en heeft iedereen voor de gek gehouden. — De ouders zijn doodsbang dat ze geëxcommuniceerd zullen worden. — Maar, zo redeneren de farizeeërs verder, als hij wel degelijk blind is geweest en nu weer kan zien dan betekent dat dat hij een aanhanger is van die ketter Jezus. En dan word je ook geëxcommuniceerd, of op transport gezet naar een concentratiekamp, of terug gestuurd naar Marokko.

“Wás u maar blind,” zegt Jezus. Het gevaar komt namelijk niet van blinden die weer kunnen zien, maar het gevaar komt van zienden die niet verder kijken dan hun neus lang is. Van mensen die genoegen nemen met de waarheid die ze met eigen ogen kunnen zien, en alles wat daar niet in past, dat mag dan gewoon niet waar zijn. “Geef Gód de eer,” bijten ze de man toe, met andere woorden: hoe heb je je in godsnaam kunnen inlaten met deze Jezus! Die man is totaal verbouwereerd, “ik weet alleen dat ik weer kan zien.” Ja, zeggen ze, het zou beter voor je zijn als je nog steeds blind was.

In de beker van de farizeeërs zit hele donkerbruine drab. Een beetje slijmerige modder zoals Jezus die op de ogen van de blinde smeerde. Ondoorzichtige modder van onderbuikgevoelens die je het zicht ontnemen op de wereld zoals God die voor ogen heeft.

Het gaat erom of we ons beperken tot de werkelijkheid zoals we die ons zelf gemaakt hebben, dat we dus genoegen nemen met wat we kunnen zien en wat we met ons beperkt verstand kunnen overzien; of dat we over de rand durven te kijken. En waar onze ogen en ons verstand ophouden, dat we dan vertrouwen op de voorzienigheid. — Nogmaals, met voorzienigheid bedoel ik niet passief achterover leunen, nee, voorzienigheid betekent juist actief verder willen kijken, en waar je ogen ophouden dat je dan verder probeert te kijken met de ogen van God.

Zoals Samuël dat doet. Isaï laat een voor een zijn zonen aan Samuël zien, want een van zijn zonen zal koning worden. Maar bij elke zoon hoort Samuël de stem van God: nee, laat je niet verleiden door de pracht en de praal die je ogen zien, kijk liever met de ogen van God. En met de ogen van God ziet hij de jongste zoon, die ze voor hem verstopt houden buiten op het veld bij de schapen en geiten. Hij heet David, en hij zal niet alleen de meest vooraanstaande koning worden van Israël, maar hij zal ook de stamvader worden van Jezus.

Jezus zegt: “Was u maar blind.” Dan zou u waarschijnlijk met de ogen van God kunnen kijken. En zat je niet zo gevangen in je kleine overzichtelijke wereldje, dat je koste wat kost ook zo overzichtelijk wilt houden. Waar geen plek is voor Marokkanen of voor blinden die weer kunnen zien, want alles moet blijven zoals het was. Was je maar blind, dan zat je niet zo gevangen in je leerstellingen, waar alleen maar dingen mogen bestaan die binnen de dogma’s passen. “Was u maar blind,” dan kon u namelijk met de ogen van God kijken.

Dat we verder kijken dan we met onze eigen ogen kunnen zien. Dat we niet alleen op onze ogen vertrouwen maar ook op de voorzienigheid. Dat we in die zin ‘ziende’ worden, net als Samuël en net als de blinde. Dat we ons niet blindstaren op de drab in de beker, maar dat we door de heldere wijn mogen kijken naar een toekomst ongezien.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie