U, Heer, bent onze Vader

Lezingen: Jes 63,16b-17.19b;64,6-7 en Mc 13, 33-37

Maar U, Heer, bent onze Vader,
Van oudsher bent U onze Beschermer.
Waarom, Heer liet U ons afdwalen van Uw wegen?
Keer toch terug, omwille van Uw dienaar (Jes. 63,17)

De profeet Jesaja bidt. Namens het volk bidt hij tot God. Het is 587 voor Chr. Het volk Israël is weggevoerd door vijandelijke koningen en bevindt zich in ballingschap in Babylon. Het was het indirecte gevolg van de grote welvaart die ze hadden gekend maar die ook had geleid tot godsdienstige en zedelijke mistoestanden.

Jeruzalem ligt in puin. De verwoesting van de tempel is het teken voor het volk dat God zich heeft afgekeerd. Dringende oproepen tot ommekeer en politieke adviezen van de profeten worden genegeerd. Wat is er nog over van het verbond tussen Jahweh en zijn volk? Er is nog steeds het sluimerende verlangen naar vroeger, toen het nog goed was, samen in de tempel de voorgeschreven rituelen beoefenen, te zingen en de woorden uit de Thora te horen. Maar de relatie met Jahweh is verstoord en deze verstoring wordt ervaren alsof ook God daar een aandeel in heeft. Het is alsof de hemel zich voor mensen gesloten heeft, alsof God niet meer bestaat. Deze ervaring is er werkelijk een van Godsverduistering. Verstrikt in de eigen zelfzucht slaat de angst toe. Het is te laat. Waar is God? Wat doet Jesaja hiermee?

Merkwaardig genoeg doet hij geen beroep op de bekering van het volk maar op Gods ommekeer: Weet U nog wel, Heer, hoe U ooit met mensen begon. Wij zijn de klei door U gevormd, wij zijn toch het werk van Uw handen. De profeet probeert Jahweh in zijn hart te raken en doet een beroep op zijn diepste bewogenheid om mensen. Het is een hartverscheurend gebed. Want Jesaja realiseert zich terdege dat God zich terugtrekt uit een wereld waar mensen kiezen voor onrecht. Jesaja bidt: waarin we nu terecht zijn gekomen, door eigen verkeerde keuzes, dat kunt U toch niet langer aanzien. U bent toch onze Vader.

Hiermee herinnert Jesaja God aan zijn diepste identiteit. Precies de oernaam voor God verbindt de tekst van Jesaja met de leefwereld van het N.T. Ook Jezus bidt tot God als zijn Vader. Maar tegelijkertijd roept hij op tot actie. Ogen en oren moeten open. En hij duidt de tekenen van de tijd die de komst van de Mensenzoon aankondigen. Niemand weet wanneer dit gebeurt, de tijd is onbepaald. Het paste in de gedachtewereld van die tijd, waarin men werkelijk dacht op de rand van de geschiedenis te leven.

Dan vertelt Jezus de parabel die we vanmorgen hoorden, waarin hij oproept tot waakzaamheid, want de heer des huizes is op reis en de dienaren zijn alleen. Ook hier is sprake van duisternis, onzekerheid, zich in de steek gelaten voelen. Direct na deze parabel beschrijft Marcus de ervaring van Jezus en zijn leerlingen in de Hof van Olijven. Jezus wacht niet alleen passief op wat er zal gebeuren en op zijn arrestatie maar hij is aan het bidden. De woorden: Wees op uw hoede, wees waakzaam, slaap en uur klinken ook hier. De leerlingen verraden hem ’s avonds laat, midden in de nacht en ’s morgens vroeg, precies zoals Jezus nu aankondigt dat het geval zal zijn als ze niet waakzaam blijven. Op het eind van de parabel horen we heel duidelijk:

wat ik tot jullie zeg, zeg ik tot iedereen wees waakzaam.

Het gaat over ons. Waakzaam zijn. Het heeft te maken met oplettendheid, ook in de gewone dagelijkse dingen, dat ze geen sleur worden, dat we niet indutten. Waakzaam is met aandacht leven. Alert zijn op die gebeurtenissen, die mensen, die woorden die je leven op een bepaald spoor kunnen zetten, als een soort richtingwijzer voor de goede weg. Waakzaamheid heeft ook te maken met het durven nemen van je verantwoordelijkheid hierin en dat spoor durven volgen. Waakzaamheid vraagt moed.

Dat was het volk Israël kwijtgeraakt. Dat waren de leerlingen van Jezus ook even kwijtgeraakt. Bij Jesaja en Jezus zien we dat het donker van Gods afwezigheid de plek is voor het verlangen. Als je je leeg voelt verlang je naar het andere: het positieve, warme gevoel dat je leven weer zin geeft. Misschien is het verlangen naar het heil, de heelheid in je leven wel het mooiste gebed. Zij die bidden leven altijd in een wereld vol verwachting. Bidden helpt je om de dingen om je heen en jezelf te zien met Gods ogen. Zonder woorden je laten raken door dat wat je overstijgt.

Maar het kan ook gebeuren op een zondagmorgen in de Boskapel. In het samen zingen en bidden, samen uitspreken van teksten die hoopvol en troostend zijn, in liturgische gebaren en stiltes kun je dit soms ervaren. Zoals J. Tigcheler dit verwoordt: “Het Geheim aanspreken in een gemeenschap kun je beleven als het samen zoeken naar Wie je trekt en boeit zonder te weten Wie of Wat dat is. Je laat je dan meer meenemen door de richting van de beweging dan dat je zou weten tot wie je je richt. Alle vreugde en verdriet kunnen er in meestromen.”

Daarom heeft bidden ook te maken met je herinneren hoe God in je eigen levensverhaal oplicht. “U Heer , bent mijn Vader, van oudsher bent U mijn Beschermer” Misschien was je het ook wel even kwijtgeraakt. De Eeuwige is echter Dezelfde gebleven. Hij, Zij, die trouw is zal je antwoorden.

Inspiratiebronnen:
Liturgische katernen van de Stichting Midden onder U.
H. Jongerius, Wat hoor ik toch?
J. Tigcheler, Vanuit Lukas bezien

Maria Schröder

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar U, Heer, bent onze Vader

  1. Rinus Bal schreef:

    Maria,
    Een aansprekende, mooie verbinding van oude en nieuwe testament.Gods afwezigheid ervaren als een plek voor verlangend en hoopvol bidden om heelheid in je leven.
    Bedankt.

Geef een reactie