Trek steeds verder en je zult zien: je bent niet alleen onderweg

Lezing: Lc 24, 13-35

Afgelopen weekend vierden we met Pasen en de dagen eraan vooraf het hoogtepunt van de christelijke cyclus. Maar als je denkt dat je het na het hoogtepunt hebt gehad dan zit je er helemaal naast. Dood en verrijzenis zijn niet het eindpunt, maar ze zijn juist het begin!

Vandaag lezen we daarom het verhaal van de Emmaüsgangers. Het lijkt op het eerste gezicht een verhaal van het einde, de leerlingen druipen teleurgesteld en gedesillusioneerd af. Maar het gehucht Emmaüs wat een beetje het eindpunt had moeten zijn wordt opeens tot het beginpunt &mdasj; eigenlijk zelfs het begin van onze kerk.

Het is ook dit verhaal waar Augustinus de basis van zijn spiritualiteit vandaan haalt. ‘Als reizigers zijn we onderweg’, dus ‘trek steeds verder’. En je zult zien: je bent niet alleen onderweg.

Ik heb hier een paar wandelschoenen; dat kunnen de wandelschoenen zijn van de twee leerlingen, en misschien ook de wandelschoenen van Augustinus. Maar als we nu net als in het sprookje van Assepoester allemaal de schoenen zouden passen, dan zouden we gauw doorhebben dat het eigenlijk de wandelschoenen zijn van Antoinette.

Vandaag nemen we namelijk afscheid van Antoinette als voorzitter van ons bestuur. Je kan wel zeggen dat Antoinette de Boskapel over het misschien wel meest cruciale stukje weg gegidst heeft, namelijk van een gemeenschap rond het klooster van de Augustijnen naar een zelfstandige augustijnse kerkgemeenschap. Antoinette is een fervente wandelaar, en zo kostte het haar ook weinig moeite om ons het adagium van Augustinus ‘trek steeds verder’ telkens weer met bravoure in te peperen.

En nu is het voor haar de tijd om ‘trek steeds verder’ op zichzelf te betrekken en nieuwe uitdagingen aan te gaan.

Maar we druipen nu niet als de Emmaüsgangers beduusd af, nee, Antoinette en met haar allen die zich voor de Boskapel tot nu toe hebben ingezet, hebben ons hart voldoende doen branden om verder te trekken. — We zijn niet alleen onderweg.

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen

Overweging

Traditioneel lezen we op de zondagen na Pasen het Emmaüsverhaal. En toen we keken wat naast de Boskapel de tweede passie is van Antoinette, namelijk wandelen met haar wandelclub, toen werd nog eens temeer duidelijk hoe waardevol deze traditie is.

Maar het verhaal van de Emmaüsgangers is niet alleen van toepassing op de wandelaars onder ons, het is veelmeer een sleutelverhaal voor de hele kerk. Er zijn zelfs hele kerkmodellen op gebaseerd: ‘Gods volk onderweg’ na het tweede Vaticaanse concilie is een directe vertaling van ons verhaal. Of het model van Jan Hendriks ‘Gemeente als herberg’ gaat ervan uit dat we net als in de herberg van Emmaüs opnieuw gevoed en geïnspireerd worden. En als Augustinus roept ‘als reizigers zijn we onderweg’, dan ziet hij ons als de Emmaüsgangers op weg gaan.

Het is een sleutelverhaal vanwege drie belangrijke punten waarmee ook gelijk de drie belangrijkste kenmerken van de kerk beschreven worden, namelijk: Één, dat je met elkaar oploopt en dat daarbij blijkt dat je niet alleen loopt. Twee, dat je met elkaar op weg bent naar het nieuwe Jeruzalem, het koninkrijk van God en dat je als kerk een plek probeert te zijn waar het al begint. En drie, dat je hart brandt, dat je elkaar helpt om het brandende te houden, en dat je mag ervaren dat het telkens weer aangewakkerd wordt door degene die met je oploopt.

Het eerste kenmerk is: dat je met elkaar oploopt en onderweg met elkaar deelt wat je gaande houdt. Hier delen de leerlingen met elkaar hun diepste hoop, namelijk dat Israël bevrijd zou worden. Dat ze zelf bevrijd zouden worden van bijvoorbeeld de dagelijkse sleur die het echte leven in de weg staat, of bevrijd van verhoudingen die je geen goed doen, bevrijd van ziekte, bevrijd van… ik denk dat je zelf wel weet waar je van bevrijd zou willen worden. Ze delen hun grootste verlangen met elkaar, maar ook hun diepste teleurstelling. En als ze zo met elkaar oplopen blijkt dat ze niet alleen op weg zijn. Dan loopt Hijzelf met hen, met ons mee.

U mag natuurlijk zelf uitmaken hoe ver deze vergelijking mag gaan, maar vaak genoeg zag ik Antoinette meelopen en net als Jezus in ons verhaal vooral vragen stellen: “Waar loopt u toch over te praten?”, of “Wat dan?” En af en toe kon je haar ook horen zeggen: “Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip?” — Het is niet leuk om deze vragen te horen en de leerlingen vinden het ook maar niks, maar achteraf zullen ze zeggen: “Brandde niet ons hart?”

Het tweede punt is: dat je op weg gaat naar Jeruzalem. En dan bedoel ik niet de geografische plaats, maar Jeruzalem als beeld voor een nieuwe wereld, een nieuwe aarde, als beeld voor het koninkrijk van God. Dat je als kerkgemeenschap dus onderweg bent naar dit nieuwe, naar het hemelse Jeruzalem. En als je zo onderweg bent dan kom je misschien niet veel verder dan dat gehucht Emmaüs, maar opeens gaan je de ogen open en stel je verwonderd vast dat zelfs zo’n betekenisloos dorpje tot Jeruzalem kan worden.

Jezus heeft in zijn leven niets anders gedaan dan over dit koninkrijk te vertellen. Hij heeft zieken genezen en mensen die buitengesloten waren weer bij de gemeenschap gebracht. Waar hij kwam, daar begon het nieuwe Jeruzalem al. En daarom beweegt ook zijn hele levensweg zich naar Jeruzalem toe. — Maar nu zijn de leerlingen teleurgesteld en gaan ze letterlijk en figuurlijk weg van Jeruzalem. En daar waar ze het niet verwachten, daar in Emmaüs, in dat dorpje van niks vinden ze het nieuwe Jeruzalem. En om in de symboliek te blijven laat Lucas hen dan ook daadwerkelijk diezelfde avond nog naar Jeruzalem terug gaan.

Het derde en ook belangrijkste kenmerk van een kerkgemeenschap is het brandende hart. Dat heeft Augustinus dus uit dit verhaal. En hij heeft het zelf aan den lijve ervaren dat het zo werkt. “Ik zocht U buiten mij… maar U was in mij.” “Keer daarom terug naar je hart en herken in het beeld van God de schepper ervan.” Augustinus wordt dan ook afgebeeld met een brandend hart.

Bij ons beeldje van Augustinus zijn de vlammetjes op het hart al een beetje afgesleten, net als bij de leerlingen op weg naar Emmaüs. Maar als je met elkaar oploopt, als je met elkaar lief en leed deelt, je verlangen en je vergezichten dan laait het vuurtje weer op. En dan is het niet meer je hart alleen wat brandt, maar dan is het God zelf die je hart doet branden en die met jou oploopt. — De leerlingen hebben dat ervaren, “Brandde ons hart niet?” Terwijl ze nog bezig waren om van Jeruzalem weg te gaan, begon in hun hart het nieuwe Jeruzalem al weer op te lichten.

Misschien is het helemaal niet zo verkeerd dat de vlammetjes van ons beeldje al een beetje afgebrokkeld zijn. Dat maakt alleen maar duidelijk dat we elkaar nodig hebben om het vuurtje telkens weer opnieuw aan te wakkeren.

Antoinette heeft in al die jaren vaak flink staan blazen om de vlammen weer zuurstof te geven, maar vooral ben je met ons opgelopen, zelfs wanneer je niet in de Boskapel was maar met je wandelclub aan het wandelen, dan kwam je terug met nieuwe ideeën. Je hebt ons gegidst door misschien wel het moeilijkste traject van de Boskapel, namelijk van een gemeenschap onder de vleugels van het klooster naar een kerkgemeenschap die zelfstandig haar vleugels uitslaat. Maar je hebt ons vooral zelf tot wandelaars gemaakt. Dat we een gemeenschap zijn die met elkaar oploopt. En bij het met elkaar oplopen blijkt dat we niet alleen gaan, ons hart begint te branden en terwijl we als reizigers nog onderweg zijn, blijkt soms heel even het nieuwe Jeruzalem ook al in de Boskapel te beginnen.

Antoinette, fijn dat je met ons op die manier zo intensief bent opgelopen. En nu je, haast zou ik zeggen: ‘aan onze blikken onttrokken wordt’, blijf je toch met ons oplopen, want de weg die je ons hebt laten inslaan is nog lang niet af.

Laten we doen wat Augustinus ons toeroept, en laten we doen wat de leerlingen ook deden; laten we opstaan en op weg gaan. We gaan niet alleen.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

Geef een reactie