De hoop dat God in ons hart geboren wordt

Dietrich Bonhoeffer in 1939. Foto uit het Bundesarchiv, Bild 146-1987-074-16 / CC-BY-SALezingen: Door goede machten trouw en stil omgeven, van D. Bonhoeffer. en Lucas 2,22-35

Welkom vandaag in de Boskapel bij deze agapè-viering. De kerk schrijft ons de lezing voor uit Lucas: de opdracht van Jezus in de tempel, volgens de voorschriften van Mozes. Maar vandaag is het ook de laatste zondagsviering van het oude jaar, en daarom lezen we als eerste lezing een gedicht van Dietrich Bonhoeffer, dat hij schreef in 1944. bij gelegenheid van oud en nieuw. Misschien herinnert u zich nog zijn foto in onze oude Gedach-teniskapel: een wat gezette jonge man met zo’n ziekenfonds-brilletje. Hij was in de oorlog lid van de “Bekennende Kirche” een groep gelovigen die vonden dat het christendom onverenigbaar was met het nazisme.
Net als de Kerstdagen zijn oud- en nieuwjaar dagen die sommige mensen maar het liefst over zouden slaan. Pijnlijke herinneringen spelen op, de toekomst ziet er donker uit, je bent alleen, je moet je schrap zetten om het nieuwe jaar te beginnen. Maar dan mogen we hopen op een sprankje licht. Hopen dat toch, ondanks alles, God in ons hart geboren wordt.

“Soms breekt uw licht in mensen door onstuitbaar zoals een kind geboren wordt,” zongen we zojuist met Huub Oosterhuis. Dichters en zangers laten ons soms een werkelijkheid zien die boven het alledaagse uitgaat, die ons opwekt te zien met hun ogen, te zien wat wij anders niet zouden zien. Met Kerstmis vieren wij dat een kind geboren is en in hem brak Gods licht al heel bijzonder door. De oude Simeon heeft er jaren op gewacht, lazen we bij Lucas. Al die tijd heeft hij er op vertrouwd dat waar is wat hem door de Geest was beloofd. Zal hij nooit hebben getwijfeld, als er weer een jaar voorbij was gegaan? Wanneer hij voelde dat hij door de ouderdom steeds brozer werd en merkte dat zijn gang naar de tempel moeizamer verliep?

In de kerstnacht zongen we met Maria in het Magnificat dat God zijn belofte gestand doet. Het evangelie bevestigt ons dit in dit gedeelte opnieuw. Simeon heeft niet tevergeefs gewacht. Hij heeft het heil gezien dat hem is beloofd. En hij neemt het kind in zijn armen, hij kan het heil dat hem is beloofd zelfs aanraken. En het kind raakt hem ook diep, zoals we kunnen zien op de tekening van Rembrandt die voorop het boekje staat. Simeons diepste wens is vervuld, nu kan hij in vrede sterven. God heeft deze belofte waargemaakt, nu kan hij er ook op vertrouwen dat God hem ook in de dood niet zal laten vallen. Ook de naam van Simeon staat geschreven in de palm van Gods hand.

Dat zelfde vertrouwen zagen we bij Dietrich Bonhoeffer in de eerste lezing.

Door goede machten trouw en stil omgeven
beschermd, getroost, beveiligd wonderbaar,
zo wil ik deze dagen met u leven
en met u binnengaan in ’t nieuwe jaar.

Bonhoeffer was niet zoals Simeon een oude man aan het eind van zijn leven. Toen hij dit gedicht oudjaar 1944 aan zijn familie en verloofde schreef was hij nog geen veertig. Hij zat gevangen wegens zijn verzet tegen de nazi’s en is door hen ook vermoord. Toch laat dit gedicht geen spoor zien van woede of wraakzucht. Hij beseft dat hem een bittere dood wacht, maar door te denken aan de goede dingen die hem ook zijn toegevallen, weet hij ook dat het niet altijd duister zal blijven, dat Gods licht schijnt in de nacht.

Als wij ook in staat zijn dankbaar te zijn voor de goede dingen die ons zijn overkomen, die goede uitslag bij de dokter, je nieuwe kleinkind, of gewoon maar die prachtige zomer die we gehad hebben en waar geen eind aan leek te komen, wordt het misschien voor ons ook makkelijker de angsten en zorgen tegemoet te treden die er natuurlijk ook zijn, de angst voor werkeloosheid, het verdriet om het gemis van dierbaren, van gezondheid.

Door zijn moedige leven en sterven is Bonhoeffer zelf een van die mensen geworden in wie Gods licht doorbreekt. In de litanie van alle heiligen die wij ieder jaar hier in de Boskapel bidden staat Bonhoeffer ook genoemd: Gezegend zij die gingen door de hel en vielen in de strijd: licht dat niet dooft, lied dat niet verstomt. Augustinus noemt zulke mensen bergen. Zij zijn de grote zielen die Gods licht eerder opvangen dan de kleine zielen die nog in het dal verkeren. Naar deze bergen zien wij op, en door hen worden we Gods licht gewaar.

Maar ik denk niet dat Huub Oosterhuis in zijn lied bedoelt dat Gods licht alleen doorbreekt in profeten en heiligen. Ook wij kunnen op onverwachte momenten drager zijn van dat licht van God. Als iemand weer meegaat naar het ziekenhuis met een ernstig zieke vriendin en naast haar blijft bij dat pijnlijke onderzoek. Als we meedoen met de adventsactie voor het Minjeni project in Tanzania. Als we ons vrijwillig inspannen voor anderen, als we mantelzorg geven; of als we zorgen en problemen aanhoren bij de telefonische hulpdienst. U kunt zelf uit uw eigen leven en omgeving voldoende voorbeelden aanvullen. Maar zijn alleen de gevers een licht voor hun omgeving? Kan die zieke vriendin die het pijnlijke onderzoek geduldig ondergaat ook geen licht zijn? Die vrouwen en hun gezinnen in Tanzania zijn zelf ook een licht in hun omgeving en ook voor ons die zo de kans krijgen te zien hoe de cirkel van licht wordt uitgebreid.
Wij zelf kunnen het licht, dat is ontstoken door het kind in de kribbe, door mensen als Simeon en Dietrich Bonhoeffer, door de vrouwen van Minjeni koesteren en verder dragen. Het kost soms moeite het vlammetje brandend te houden. Maar er is denk ik niet veel meer nodig, dan liefde, vriendschap en vrede in je eigen hart. Alvast een Zalig Nieuwjaar

Annemiek Alferink

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie