Doe dat, dan zul je leven

Lezingen: Als ik vrijkom, een gedicht van Hugh Lewin en Lc 10,25-37 (de barmhartige Samaritaan)

Doen wat ondenkbaar is, zongen we in het openingslied, zou je het werk van Amnesty zo kunnen noemen? Er is zoveel onrecht in de wereld, wat kun je eraan doen? Je wordt er zo moedeloos van. En dan toch een kaars aansteken in het donker, in plaats van te schelden op de duisternis, of toe te geven aan moedeloosheid. Een kaars aansteken tussen het prikkeldraad, dat symbool van het werk van Amnesty. Of het wat uithaalt weet je niet, maar je doet het toch.

Ook zo’n symbool is de afbeelding die nu wordt geprojecteerd. Het is een van de kruiswegstaties voor de Maria ten Hemel­opnemingskerk, van Ted Felen, een Nijmeegs kunstenaar. De Amnestygroep heeft van Ted Felen toestemming gekregen deze afbeelding te gebruiken. De titel is Met tweeën een. De ene mens helpt de ander. Het lijden blijft uitzichtloos. Toch helpt hij. Hij keert zich toe naar de ander. Met zijn tweeën worden ze één.

(U vindt de afbeelding op de website van Ted Felen, als nummer 5. U kunt daar doorklikken naar een grotere versie.)

Vorige week hield Peter Nissen ons voor dat God daar is, waar mensen zich naar elkaar toekeren. Dat kun je ook zien als de drijvende kracht achter het werk van Amnesty: je toekeren naar wie lijdt onder willekeur en onrechtvaardige wetten. Laten we ons in deze viering richten op dat werk, op de mensen waarvoor dat werk nodig is. Laten we ons toekeren naar elkaar en naar God in ons midden.

Overweging

We hebben vandaag geluisterd naar de parabel van de barmhartige Samaritaan. Waarom vertelde Jezus die parabel? Omdat een wetgeleerde hem op de proef stelt, hem wil testen. Dat klinkt niet zo sympathiek, maar was en is onder geleerde mensen gebruikelijker dan je misschien denkt.

Jij weet toch zoveel? Vertel me dan eens hoe ik deel kan krijgen aan het eeuwige leven?

En zo’n vraag kun je met goed fatsoen niet weigeren. Het is immers je vak dergelijke vragen te beantwoorden. Dat doet Jezus dus ook niet. Hij stelt wel een tegenvraag: hoe staat het geschreven in de wet, in de bijbel? En de wetgeleerde geeft netjes antwoord, over de liefde tot God en de naaste

Misschien verwacht hij dat Jezus nu heel geleerd gaat uitleggen wat die woorden betekenen, maar Jezus zegt alleen maar: “Goed zo, doe dat, dan zul je leven.” Niks geleerde uitleg. De wetgeleerde voelt zich wat in zijn hemd staan. Zo lijkt het alsof hij dat zelf niet wist! Maar hij probeert zijn gezicht te redden en klampt zich vast aan de laatste woorden van wat hij zojuist gezegd heeft:

Maar wie is dan mijn naaste?

Daar kun je ongetwijfeld heel geleerd over redeneren, wie er allemaal je naasten zijn, en wie dat misschien toch wat minder zijn, en wie helemaal niet, zodat je met een boog om ze heen kunt lopen. Maar Jezus begint aan een verhaal. En aan het einde van dat verhaal stelt Jezus weer een vraag, weer een tegenvraag: wie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers? Jezus draait de vraag van de wetgeleerde om, want die vroeg: wie is mijn naaste. Jezus stelt de tegenvraag: wie is de naaste geworden van het slachtoffer?

En zo laat Jezus zien dat hij zich inderdaad kan meten met een scherpzinnige wetgeleerde. Want doordat Jezus de vraag omdraait, blijkt dat hij iets ziet in die bijbelwoorden van God en de naaste liefhebben dat de wetgeleerde ontgaan is. Als je je naaste wilt liefhebben als jezelf, moet je zelf een naaste worden.

Ik denk niet dat de wetgeleerde zich nu nog in zijn hemd voelt staan. Jezus heeft hem gepakt met dit inzicht. En al kan hij, als rechtgeaard Jood, het woord Samaritaan niet over zijn lippen krijgen, hij geeft wel eerlijk antwoord: degene die hem medelijden betoond heeft. Ga, en doe net zo, zegt Jezus.

Ga en doe net zo. Keer je toe naar de ander. Toon medelijden als dat nodig is. Strek je hand uit en raak hem, haar aan. Om te troosten, om te helpen, om gewoon maar contact te maken. Een aanraking kan zo belangrijk zijn.

Dat hebben we gehoord in het gedicht van Hugh Lewin. Een gedicht dat hij in de jaren 60 schreef terwijl hij in Zuid-Afrika een gevangenisstraf uitzat van 7 jaar, wegens vernieling en sabotage. Het gevangenisregime waar hij en zijn medestanders onder vielen was mensonterend. Ze werden gemarteld en geslagen. Hun privacy, hun waardigheid telde niet. Ze waren weerloos in de handen van de mensen. En hij ging verlangen naar een aanraking. Een aanraking die contact maakt. Niet de stompen en slagen en onderzoeken die je halfdood achterlaten. Nee, een aanraking die je het gevoel geeft dat je leeft.

Zoals wanneer je kinderen of kleinkinderen naast je op de bank kruipen en tegen je aan knuffelen omdat de tekenfilm wel erg spannend is. Of gewoon zomaar, omdat het tijd is voor een knuffel. Zoals kennissen, vrienden, vriendinnen elkaar aanraken, omhelzen als ze elkaar begroeten, en om hun verbondenheid uit te drukken. Zoals geliefden elkaar nog veel inniger en intiemer omhelzen. Zoals partners elkaar hopelijk aan blijven raken, hun hele relatie lang en elkaar niet loslaten. Aanraken kan zo belangrijk zijn.

De barmhartige Samaritaan werd geraakt door de man die halfdood langs de weg lag. Hij keerde zich naar hem toe en werd zijn naaste. Hij raakte hem aan, verbond hem, hielp hem op zijn ezel en bracht hem naar een plek waar hij veilig kon herstellen.

Zo werd Peter Benenson in 1961 geraakt door een krantenartikel over Portugese studenten die gearresteerd en veroordeeld werden omdat ze een toast hadden uitgebracht op de vrijheid. Het dictatoriale regime van Salazar kon dat niet waarderen. Het is zo’n krantenartikel waar je moedeloos van wordt, waar je het liefste met een boog omheen loopt. Voor Peter Benenson en enkele anderen was het de reden om Amnesty op te richten en het lot van gewetensgevangenen onder de aandacht te brengen. Zodat zijzelf en zodat meer mensen zich naar deze gevangenen toe konden keren. En zich voor hen konden inzetten en hen konden steunen. Hun naasten konden worden.

Wat het voor deze gevangenen betekent om te weten dat mensen om hen geven is ongelooflijk. We horen het elke keer weer, als ze weer vrij zijn.

Er is zoveel onrecht in de wereld, wat kun je eraan doen? Je wordt er zo moedeloos van. Behalve als je van Christus wilt leren dat het erom gaat een naaste te worden. Dan steek je toch een kaars aan in het donker, in plaats van te schelden op de duisternis, of toe te geven aan moedeloosheid. Een kaars tussen het prikkeldraad. Of het wat uithaalt weet je nooit van tevoren, maar je doet het toch. En zo blijft het vuur van hoop en menselijkheid branden in de wereld. Zo blijft God aanwezig in onze wereld. En wij zullen leven.

Amen.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Response to Doe dat, dan zul je leven

  1. Annie Kloosterman schreef:

    Karel ,hoewel ik afgelopen zondag niet alles letterlijk kon verstaan, vond ik het toen al een goed verhaal. Nu ik het voor me heb op het scherm is het nog beter. Bedankt en preek nog maar vaker! (Maar je moet ook blijven zingen).

Geef een reactie