De beker drinken – en kom naar buiten

Lezingen: Ez 37, 1-14 en Joh 11, 1-45

Welkom in de Boskapel. ‘De beker drinken’ — en in ons evangelie vandaag zegt Jezus tegen Lazarus: “Kom naar buiten!” Fijn dat u vanochtend ook ‘naar buiten’ bent gekomen. Even uit je dagelijkse sleur, even niet alleen de realiteit de boventoon laten voeren, maar vooral je verlangen. Even komen we naar buiten om uit te zien naar het nieuwe leven.

Maar we staan ook stil bij de beker die we moeten drinken. En gelukkig hoeven we die niet alleen te drinken. Jezus heeft hem met ons gedeeld, hij is zelfs tegen al zijn angst in ervoor gegaan om hem voor ons te mogen drinken. En wij ervaren telkens weer hoe goed het doet om de beker met elkaar te delen. Dan is het zoals Ezechiël zegt, alsof je weer op adem komt, dan komt er weer leven in oude botten. “Kom naar buiten” — fijn dat we ‘naar buiten’ zijn gekomen.

Ekkehard Muth

Overweging

Misschien bent U weleens in de crypte van de Stephansdom in Wenen geweest, waar eindeloze rijen schedels, botten en beenderen zijn opgestapeld. Het deed mij destijds denken aan het dodendal uit het visioen van de profeet Ezechiël. Dit visioen heeft een heel belangrijke rol gespeeld in de tijd dat het volk Israël in de Babylonische gevangenschap leefde ongeveer 600 jaar voor Christus. Het was verworden tot een nietszeggend groepje mensen, ver weg van huis en ver weg van hun geliefde Jeruzalem.

Ze waren geworden als doden. In die wanhopige en uitzichtloze situatie spreekt de profeet indringende woorden. Hij houdt een redevoering die doet denken aan Martin Luther King: “I have a dream.” Woorden die een enorme hoop deden oplaaien in de harten van de mensen. Ezechiël roept op om opnieuw te geloven in een God die vrijmaakt, leven brengt als je je er voor openstelt. Je mag de hoop nooit opgeven. In zijn visioen spreekt hij namens God: “Mensen, jullie zijn als dorre beenderen, Ik ga jullie adem geven, zodat jullie tot leven komen. Dan kunnen jullie je opnieuw tot Mij keren want Ik ben een barmhartige God. Ik ga jullie adem geven: Levensadem die de eerste mens bij de schepping in zijn neus kreeg geblazen. (Gen 2,7)

Het visioen van Ezechiël is een verhaal over dood en leven, een verhaal over een bewogen God die zijn volk trouw blijft en telkens weer in mensen tot leven roept wat is gestorven. Een verhaal over sterven en verrijzen.

In het evangelie van Johannes wordt eveneens een dode tot leven gewekt en uit zijn graf geroepen.
Een schitterend en ontroerend verhaal met ook een bloedstollend moment. Dit wonderlijke verhaal, door Johannes een teken genoemd, is niet alleen bedoeld om Jezus’ zending en identiteit te onthullen maar meer nog om geloof op te roepen bij allen die er getuige van zijn. Van alle tekenverhalen is dit laatste, de opwekking van Lazarus, het meest radicale en het meest troostende, vlak voor het verhaal van de dood en de opstanding van Jezus zelf. Het verhaal gaat over Lazarus, dat betekent: God helpt. Die naam is het programma van het hele verhaal. Lazarus is ziek, doodziek. Zijn zussen Martha en Maria laten dit aan Jezus weten. We lezen dat Jezus veel hield van hen. Ze vragen niet of Jezus direct wil komen, ze hopen of gaan er gewoon van uit dat Jezus dit zal doen. Dat gebeurt niet. Jezus blijft weloverwogen afwezig op de momenten dat zijn aanwezigheid dringend nodig is. Hij haast zich in geen enkel opzicht. Het lijkt wel of hij zijn zieke vriend met opzet laat sterven. Dit niet direct ingaan op de vraag is kenmerkend bij Johannes in alle tekenverhalen. Jezus’ optreden wordt niet bepaald door de mens maar door de wil van God. Alleen God bepaalt zijn uur. Bovendien wacht Jezus op de derde dag. Ook dat komt in andere verhalen voor. De derde dag is de dag van de overwinning, de derde dag behoort God toe.

Lazarus is dood als Jezus arriveert. Hij ligt al 4 dagen in het graf en hij riekt of stinkt zelfs al zoals Martha zegt. Is Martha teleurgesteld? “Heer als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.”

Ze gelooft dat, waar Jezus is, daar is leven. Jezus en de dood verdragen elkaar niet. Wat zij dan zegt overstijgt de hele situatie: “Zelfs nu zou God U alles geven wat U hem vraagt.” Het geloof van Martha is over de dood heen. In het antwoord van Jezus ligt de kern van het hele verhaal besloten: “Ik ben de opstanding en het leven, wie in mij gelooft, mag dan wel sterven, toch zal hij leven. Geloof je dat?”

Martha negeert de vraag.

Ze snapt er niets meer van. Jezus ondergraaft het enige dat we zeker weten: onze dood. En dan geeft ze een geniaal antwoord: “Ja, Heer, ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen. Martha spreekt hiermee de Messiasbelijdenis uit, die in de andere evangeliën door Petrus wordt uitgesproken. Zoals telkens weer bij Johannes is het een vrouw die de geloofsbelijdenis uitspreekt. Zo doorbreekt zij de grafstemming en schept zij ruimte voor het teken van de opstanding. Daarom is de geloofsbelijdenis van Martha het hoogtepunt in het verhaal. Maria is veel emotioneler dan haar zus. Zij zal Jezus zalven met geurige olie en met haar haren zijn voeten afdrogen. Ze staat bekend als een slechte vrouw, een sensuele vrouw, ach misschien had ze gewoon veel liefde te geven. Maar Jezus hield van haar. En als hij ziet dat zij huilt, raakt hem dat diep, het gaat hem aan het hart. Hij kan zijn tranen niet inhouden. We herkennen de machteloosheid en verslagenheid bij sommige sterfgevallen, vooral als het jonge mensen zijn of wanneer iemand zelf voor zijn levenseinde kiest. Dood brengt altijd afscheid mee, definitief loslaten.

Het is altijd het gevoel van voorbij. Er vallen gaten in je bestaan.

Zo moet het ook geweest zijn voor Martha en Maria: Het was hun broer die ze in het graf hebben moeten achterlaten. De derde dag, de dag van de verrijzenis, is in alle doodsheid voorbijgegaan. Jezus laat zich echter niet door de dood gezeggen. Hij gelooft zo in God, die sterker is dan de dood dat hij durft te vragen om de steen weg te halen. Allen staan bij het graf.

Daar staan ze, de Farizeeën en Schriftgeleerden, opgesloten in zichzelf, hun eigen zienswijzen, opgesloten in de letter van de Wet, hun harten verhard zodat overgave in geloven geen vat op hen krijgt. Zij zijn het die straks de plannen beramen om Jezus te doden. Zij zijn de levende doden. Het is de steen van de dood die zo zwaar op het hart ligt. Jezus beveelt, roept met harde stem tegen de dood in. Het wordt dus oorverdovend wat er gaat gebeuren: “Lazarus kom naar buiten.” Exodus, Uittocht, “de dode zal leven, de dode zal horen: nu leven”. (H.O.) En de dode hoort en verstaat. Hij is de enige van al die mensen, die echt verstaat. Hij trekt weg uit zijn graf, zoals het volk uit Egypte. Hij wordt losgemaakt, bevrijd, hij leeft. Deze roep “kom naar buiten” is tot ons gericht. De verrijzenis van Lazarus, het visioen van Ezechiël, het is onze eigen droom, onze eigen verrijzenis.

Je kunt levend tot de doden behoren. De Eeuwige is echter sterker dan de dood: Hij, Zij, is de Levengevende. Lijden en verdriet zullen blijven maar als je, evenals Jezus, kunt geloven en vertrouwen dat zware stenen weggerold kunnen worden, dan durf je ook tegen een ander te zeggen: Kom naar buiten. Laat het graf achter je en breng leven waar geen leven meer is. En dan mag je er ook op vertrouwen dat, als het jou overkomt, als je blik verduisterd is en als je je meer dood dan levend voelt, je bent als dorre beenderen, dat er dan ook iemand is, die jou roept: Kom naar buiten, Ik ga je adem geven zodat je tot leven komt: “het licht van de morgen”. (H.O.) Dan is er ook voor jou iemand die zegt: Maak haar los, maak hem vrij, laat ze gaan! En je zult “lachen, juichen en leven”. (H.O.)

Geïnspireerd door:
Liturgische katernen van de Stichting Midden onder U.
H. Jongerius, Wat hoor ik toch?
J. Nieuwenhuis, Johannes de Ziener
Huub Oosterhuis, De steppe zal bloeien

Maria Schröder

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie