Allerheiligen en Allerzielen

Lezing Mat 5, 1-10

Welkom in de Boskapel waar we vanochtend Allerheiligen en Allerzielen willen vieren. Dat wil zeggen: we staan stil bij alle heiligen, dus bij allen die ons op een bijzondere manier iets van de hemel hebben laten zien en waardoor de hele kerk zich geïnspireerd voelt. En we staan stil bij alle zielen, bij onze overledenen die ons persoonlijk geïnspireerd hebben en met wie we zo af en toe de hemel op aarde mochten proeven.

Dus we staan stil bij degenen die misschien niet voor de hele kerk heilig zijn, maar wel voor onszelf. Grote en kleine heiligen dus, mensen van lang en niet zo lang geleden. Mensen die, ook al zijn ze gestorven, ons bemoedigen om te leven.

We staan stil bij onze pijn en ons gemis. Maar we staan ook stil bij de kracht en de belofte om verder te gaan. In onze evangelielezing prijst Jezus ons ‘gelukkig’: daar ligt onze bestemming. Dat de hemel waar naartoe ons onze overledenen voor zijn gegaan hier op aarde naar ons afstraalt.

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen

Overweging

Om wie ben je vanochtend gekomen? Voor wie brandt er niet allemaal een lichtje in je hart en hebben we hier dan ook een lichtje aangestoken? En wat heeft degene je niet allemaal van de hemel laten zien?

Niet voor niets vieren we Allerheiligen en Allerzielen achter elkaar en vanochtend zelfs in één keer samen. We vieren dat de heiligen ons de hemel hebben laten zien. En zeg maar ‘de zielen’ hebben dat ook gedaan. Bij de heiligen is het na een officiële procedure vastgesteld dat zij ons op een bijzondere manier God hebben laten zien. Maar in de litanie van de Boskapel noemen we met opzet ook heiligen die het niet officieel gehaald hebben, maar die ons daarom niet minder vergezichten hebben gegeven. En in dat rijtje horen ook de namen van onze dierbaren thuis, want met hen samen hebben we de hemel op aarde mogen proeven.

Augustinus wist toen hij leefde nog niet dat hij ooit heilig verklaard zou worden, laat staan dat hij een kerkvader zou worden. En ik denk dat hij dat aan de ene kant veel te overdreven gevonden zou hebben, maar aan de andere kant ook weer niet. In zijn regel zegt hij namelijk, “Eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden.” (Regel, hoofdstuk 1 § 8) Kortom: voor hem is het de natuurlijkste zaak van de wereld dat wij allemaal heiligen zijn, want God woont in ons en wij zijn beeld en gelijkenis van hem. Dus hij zou er niets op tegen gehad hebben dat hij heilig verklaard werd. Maar hij zou het niet goed gevonden hebben dat hij wel heilig genoemd wordt en anderen niet. Woont God in de een meer dan in de ander? Is de een dan heiliger dan de ander? Dus daarom moet je dat onderscheid ook niet willen maken. Als het aan Augustinus ligt kunnen Allerheiligen en Allerzielen maar het beste op één dag vallen.

Wat hebben de mensen die je vandaag in je hart meedraagt, wat heeft degene om wie je vanochtend speciaal bent gekomen je niet allemaal laten zien van de hemel? Was het kopje thee van je moeder toen je uit school kwam en dit moment op de dag dat je met haar kon delen war jou bezig hield niet zalig? Was jullie liefde en het geluk wat jullie aan elkaar mochten schenken niet de hemel op aarde? En toen jullie het moeilijk hadden en zorgen, toen jullie door de hel moesten gaan, hoe vaak zijn jullie er niet doorheen gekomen omdat dan weer de een, dan weer de ander het licht kon laten zien? En hoeveel heeft niet je kind je van de hemel laten zien door zijn of haar ontwapenende vragen, of toen je mocht meemaken hoe je zoon of dochter zijn of haar talenten ontplooide hoe zij of hij lief kon hebben en in het leven slaagde? En is misschien ook de helse pijn die je nu hebt niet juist zo groot omdat jullie met elkaar een stukje hemel hebben mogen delen?

Allemaal grote en kleine heiligen. We worden niet geboren voor een louter biologisch leven wat dan weer in het niets verdwijnt. We worden geboren om het leven voor elkaar tot een klein beetje hemel op aarde te maken. En elke keer dat ons dat met vallen en opstaan lukt worden we heiligen.

Jezus noemt de momenten dat ons dit lukt allemaal op en hij prijst ons ‘gelukkig’. Vroeger stond er nog ‘zalig’, en een zaligverklaring is het opstapje tot de heiligverklaring. En hij eindigt met “zalig zijn jullie”, “gelukkig zijn jullie” om elk gebaar, om elk moment dat jullie iets van de hemel laten zien.

En als we dan aan het sterfbed zitten, en als de laatste adem uitgeblazen is dan houdt dat niet op. “Eer in elkaar God want ieder van u is zijn tempel geworden”; zou God soms ophouden om in die tempel te wonen? Zou het licht niet blijven branden? En straalt er niet iets van het licht op ons af?

Zo moge het zijn.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie