Wat vind je er zelf van?

Lezingen: Jesaja 61,1-2 (aangevuld met een parafrase op Lucas 4,20-21) en Lucas 9,18-24

“Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wie zeggen jullie dat ik ben?” Dat vraagt Jezus in dit evangelie. Het antwoord van Petrus verrast ons niet, al was het maar omdat we het al kennen. Maar wat vinden wij er zelf van? U? Ik? Wat zouden wij zeggen als Jezus die vraag aan ons zou stellen? Is het genoeg dat we weten wat het goede antwoord is?

In het evangelie hoor je dat mensen gezocht hebben naar een antwoord. Is hij Johannes de Doper? De profeet Elia? Of misschien een andere profeet? Wat zijn dit voor antwoorden? Zijn deze mensen maar wat aan het raden? Maar dan raden ze niet in het wilde weg. Het belangrijke lijkt te zijn dat het steeds om profeten gaat, om mensen die de droom van het koninkrijk van God levend hielden.

Deze vragen-als-antwoorden wijzen ons de weg. Het lijkt of de mensen willen zeggen hoe belangrijk Jezus voor hen is: iemand die voor hen de droom van het koninkrijk van God levend houdt. Zo worstelen ze met de vraag wie Jezus is, voor hen. Een vraag die niet aan hen gesteld is, maar die zich aan hen opdringt, door hun ervaring met Jezus. Die vraag wordt nu, in dit verhaal, wel uitgesproken, nog wel door Jezus zelf. “Wie zeggen jullie dat ik ben?” En dan wordt het nog spannender. Het gaat niet meer over zo maar iemand, zelfs niet over een belangrijk iemand, zelfs niet over iemand die je wat doet: nu gaat het over die mens die voor je staat.

Het is moeilijk een indringender vraag te bedenken dan “Wie zeg jij dat ik ben? Wie ben ik voor jou?” Iemand die dat vraagt, stelt zich kwetsbaar op. Het is geen vraag naar kennis, het is een vraag naar een relatie. “Hoe zie je mij in relatie tot jou?”

Als je die vraag hoort, word je op de eerste plaats geconfronteerd met die kwetsbaarheid. Wat doe je daarmee? Hoe ga je daarmee om? Je mag het zelf zeggen. Wat een vrijheid, maar ook: wat een verantwoordelijkheid. En dan word je bovendien niet alleen geconfronteerd met de kwetsbaarheid van die ander, maar ook met die van jezelf. Als je die vraag beantwoordt, als je zegt hoe je je relatie met die ander ziet, dan geef je ook iets van jezelf bloot.

Zoals die mensen met hun vragen-als-antwoorden: zij geven hun verlangen bloot naar een betere wereld, hun verlangen naar het koninkrijk van God. Zo staan de leerlingen nu voor die uitgesproken vraag: wie zeggen jullie dat ik ben. Zo staan ook wij voor die vraag, en dat we het goede antwoord weten helpt ons niets.

Petrus geeft antwoord. “U bent de gezalfde van God,” of, zoals de vertaling interpreteert: de Messias. En als we ‘gezalfde’ onvertaald laten, zegt Petrus: “U bent de Christus van God.” Nu lijkt “U bent de Christus,” zeker voor ons christenen, geen verrassende tekst. Natuurlijk is Jezus de Christus. Maar dan is het wel merkwaardig om je te realiseren dat dit in het evangelie van Lucas maar één keer rechtstreeks gezegd wordt. Hier. Hier gebeurt dus iets uitzonderlijks. Het is een unieke uitspraak van Petrus. Wat maakt die uitspraak zo uniek? Dat is iets dat misschien duidelijker wordt als we het vergelijken met de andere dingen die over Jezus gezegd zijn. Hij zou Johannes de Doper zijn, of Elias, of een andere profeet. Met andere woorden: Jezus zou een profeet zijn, die het verlangen naar het rijk van God levend houdt, het rijk waarin al onze beste verlangens vervuld worden. En dan zegt Petrus net iets anders. Hij zegt dat Jezus de gezalfde is waar de profeten het over hadden. Jezus is de vervulling van de profetie, de laatste profeet, die het genadejaar van God uitroept. Met hem begínt het rijk van God. Híj begint.

Dat lezen we ook in het begin van het evangelie van Lucas. Daar horen we Jezus in de synagoge van Nazareth de tekst lezen over die gezalfde, die laatste profeet, die eindelijk de genade van God afkondigt. En we horen Jezus zeggen: die woorden zijn nu in vervulling gegaan.

Het andere, het nieuwe dat Petrus zegt, is dus dat hij niet zegt dat Jezus het verlangen naar dat rijk van God levend houdt, maar dat hij, Petrus, zijn verlangen naar dat rijk in Jezus vervuld ziet worden. De vraag “Wie zeggen jullie dat ik ben? Wie ben ik voor jou?” krijgt het antwoord: “Jij bent de vervulling van al mijn verlangens.”

Een mooier antwoord bestaat er niet, op die vraag. Misschien zouden we het zo over willen nemen van Petrus, al mogen we dan nog wel even diep nadenken wat onze diepste verlangens zijn.

Maar voordat we daaraan toekomen, gebeurt er iets onverwachts: Jezus beveelt zijn leerlingen op strenge toon dat tegen niemand te zeggen. Wat nu weer! Wat is er aan de hand?

Binnen de logica van het evangelie zelf kun je zeggen: de leerlingen snappen nog niet dat deze gezalfde eerst nog moet lijden. Als ze dan rond zouden bazuinen dat Jezus de Christus is, de gezalfde van God, dan zou dat misverstand alleen maar groter worden. En dan krijgt die uitspraak over je kruis op je nemen een extra betekenis: niet zozeer die belijdenis, u bent de Christus, wordt het criterium, maar of je Jezus feitelijk volgt. En dan is het interessant dat Lucas het woord ‘dagelijks’ toevoegt. Dat je je kruis dagelijks moet opnemen, zou goed kunnen betekenen dat het hier niet gaat om een situatie van vervolging, maar om een continue inspanning voor het rijk van God. Net als Jezus deed. Dat is wat Jezus van ons vraagt. Maar dán wordt een onderzoek van onze diepste verlangens extra dringend. Er ontstaat een soort wisselwerking: Jezus als vervulling van onze verlangens, maar ook als inspiratie voor ons verlangen.

Voor die inspiratie kunnen we terug naar Jesaja, en naar Jezus die die tekst van Jesaja tot een soort programma maakt. Goed nieuws voor de armen, bevrijding voor de gevangenen, zicht voor de blinden, vrijheid voor de onderdrukten, samengevat: een wereld waar genade heerst. Het verlangen naar die tijd van genade, die wereld vol genade, is het verlangen dat Jezus ons voorhoudt, het verlangen waaraan wij ons verlangen kunnen spiegelen.

Het is dat verlangen dat ons helpt de vraag te beantwoorden wie Jezus voor ons is. Het is dat verlangen dat ons helpt inzien dat alleen een mooie titel niet genoeg is. Als we ons verlangen kennen, laten we dat dan ook handen en voeten geven. Laten we ons verlangen niet alleen een naam geven, maar er ook naar leven. Maar hoe dan ook: we moeten onszelf blootgeven. We mogen zelf zeggen wat we ervan vinden, maar het is geen vrijblijvende vraag. En als we ons die vraag blijven stellen, als we ermee blijven leven, misschien komen we dan ook nog eens zover dat we die vraag zelf gaan stellen: “Wie zijn wij voor elkaar?” Niet om een triomfantelijke belijdenis te horen, maar om, in alle kwetsbaarheid, steun te zoeken, en omgekeerd te geven, op de weg van Jezus Christus.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie