Veel te laat heb ik jou liefgekregen (Augustinusviering)

Dat je meer kan dan je dacht. Dat is denk ik de meest indrukwekkende ervaring die we kunnen opdoen. Dat je toch lukt waar je zo tegenop zag, dat je je opeens dingen ziet doen waarvan je dacht dat je die nooit zou kunnen, dat je situaties doorstaat waar je van te voren dacht dat je die nooit aan zou kunnen. Dat je verbaasd naar jezelf staat te kijken waar je toch de kracht vandaan hebt gehaald, en dat je je vol verwondering afvraagt: heb ík dat gedaan?

Sporters kennen die ervaring. Als je net iets dieper gaat dan je eigenlijk kan. De Vierdaagse-lopers kennen die ervaring ook. Zeurderige blaren en de stramme spieren willen eigenlijk niet meer verder, maar als je uiteindelijk over de Via Gladiola loopt dan is alle pijn weer vergeten. En mantelzorgers ervaren dat bijna dagelijks. Dat je op je tandvlees loopt en toch kan je het weer opbrengen, dat je emotioneel en lichamelijk gesloopt bent en toch lukt het je. En als je ziek bent, dan weet je er ook alles van. Dan heb je misschien van tevoren geroepen: als mijn ziekte die en die grens overschrijdt geef me dan maar een pilletje. Maar als het zover is dan verleg je toch weer je grenzen en ben je misschien verbaasd over hoeveel levenskwaliteit je er toch nog uit weet te halen…

Dat je meer kan dan je dacht. Soms is dat zo overweldigend dat we geloven dat het niet alleen uit onszelf komt, maar dat we daarin de hand van God zien. In moeilijke situaties zeggen we dan ‘kracht naar kruis’. Maar in gelukkige situaties als het ‘kicken’ is, als we boven onszelf mogen uitstijgen, dan weten we wat Augustinus bedoelt met: “binnen in mij was je”.

— Dat is trouwens de sterke kant van de augustijnse spiritualiteit, je hoeft haar niet aan te leren, je hoeft alleen maar naar jezelf te luisteren. Augustinus gaat altijd uit van zijn en van jouw eigen ervaring. — De ervaring dat je meer kan dan je denkt, omdat je het namelijk niet allemaal zelf hoeft te volbrengen, maar omdat God zelf in jou oplicht en omdat jij gebruik mag maken van zijn kracht en van zijn inspiratie.

Je bent niet alleen die ‘oude schoonheid’, dat oude lijf, die alsmaar zelfde oude manier van doen, maar je bent telkens weer ‘nieuw’. Natuurlijk heb je soms een klein hartje, natuurlijk durf je niet, uiteraard doe je dingen waarmee je anderen pijn doet en hoe vaak staat niet de aard van het beestje je behoorlijk in de weg — “Schoonheid, wat ben je oud!”

Maar dat is nooit alles. Daar waar je denkt dat je krachten ophouden, daar waar je moed zijn grens bereikt, daar waar je voorstellingsvermogen niets meer kan zien — daar begint het pas. Of om het met Augustinus te zeggen: daar waar mijn gehoorgrens was bereikt “heb jij geroepen en geschreeuwd, door mijn doofheid heen ben jij heengebroken.” Daar waarin ik geen heil, geen uitzicht meer zag, “oogverblindend ben jij opgedaagd om mijn blindheid op de vlucht te jagen.” Daar waar mij de lucht te dun werd, het risico te groot, daar waar ik van al die snelle veranderingen buiten adem was, “geuren deed jij en ik haalde adem.” — “Schoonheid, wat ben je nieuw!”

Een beetje kerkgemeenschap gaat voortdurend op zoek naar die ‘nieuwe schoonheid’. Ook al komen we hier bij elkaar, oude bekenden, en velen van ons ook oud aan levensjaren, met onze oude gewoontes, oude meningen, oude ideeën, oude zekerheden… maar hoe vaak zien we niet in elkaars ogen toch de belofte van iets nieuws. Hoe vaak zien we niet bij elkaar die nieuwe schoonheid oplichten.

Misschien is het een goed symbool dat vanaf vandaag onze oude zangers samen een nieuw koor vormen. Want in de Boskapel leggen we ons op een bijzondere manier toe op de nieuwe schoonheid. Bij de eucharistie spreken we de instellingswoorden sámen uit, omdat we ervan uitgaan dat God niet alleen in de voorganger, maar in álle mensen oplicht; dat iederéén meer kan en meer is, en niet alleen de pastor. We dopen kinderen zonder te vragen of de ouders wel kerkelijk getrouwd zijn, omdat we ervan uitgaan dat in álle kinderen de nieuwe schoonheid aanwezig is. Homo-stellen zijn welkom om te trouwen, en ook stellen die opnieuw de liefde gevonden hebben, omdat we ervan overtuigd zijn dat God op meer manieren in mensen oplicht dan alleen volgens de kerkelijke regels. En we vieren hier onze uitvaarten en onze scharniermomenten op een persoonlijke manier, omdat we daarbij juist op zoek gaan naar de nieuwe schoonheid in ieder mens. En sowieso kijken we in al onze vieringen en ook in onze lezingen en andere activiteiten eerst naar de mens en pas dan eventueel naar de dogma’s.

Als je ervan uitgaat dat je meer kan en dat je meer bent dan je denkt, dan is dat allemaal eigenlijk helemaal niet zo opzienbarend. Het is ten diepste augustijns. En ik zei het al, de spiritualiteit van Augustinus is weleens wat onopvallend omdat ze zo nabij is. Maar dat is juist het bijzondere van de Boskapel, dat is juist wat ons onderscheidt: dat wij de nieuwe schoonheid ontdekken in de oude schoonheid. “Schoonheid, wat ben je oud, wat ben je nieuw.” “Niet buiten mij, maar ín mij was je.” Je hoeft niet anders te worden, je hoeft je niet spiritueel te verheffen, want je kan al meer, en je bent al meer dan je denkt.

Natuurlijk lukt ons dat niet elke dag, we zijn mensen met tekortkomingen en onvermogen, en we kunnen soms ook verschrikkelijk de fout in gaan. Maar je mag erop vertrouwen, en van Augustinus moet je er zelfs op vertrouwen dat je meer kunt en meer bent dan dat. Als je genoegen neemt met de ‘oude schoonheid’ en er niet op vertrouwt dat je nieuw kunt worden, dan loop je weg van jezelf en van God, “uitgestort als water,” zoals hij zegt.

Schoonheid, wat ben je oud, wat ben je nieuw. Vanochtend, op het Augustinusfeest, op de zondag dat we samen aan een nieuw kerkelijk seizoen beginnen, wil ik ons aan dit vertrouwen herinneren. Vertrouw erop dat God oplicht in jou, vertrouw erop dat je meer kan dan je denkt, vertrouw erop dat je meer bent. Leg je niet neer bij de oude schoonheid, maar vertrouw erop dat God in jouw oude schoonheid oplicht en van jou een nieuwe schoonheid maakt. Als we elkaar goed in de ogen kijken zien we haar al oplichten, toch? Dat we nog vaak tegen elkaar kunnen zeggen: Schoonheid, wat ben je oud, wat ben je nieuw!

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie