Uit het hoofd of uit het hart

Lezingen: Lucas 10, 25-37 en Deuteronomium 30, 11-14

Je kan de wetgeleerde uit ons verhaal ’s nachts wakker maken en dan zal hij de zin opdreunen: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf!” Jezus heeft de vraag nog niet gesteld: “Wat staat er in de wet geschreven?” of hij flapt het al uit.

Het is natuurlijk altijd goed als je de bijbel kent. Maar aan geschreven teksten kleven twee risico’s: Het eerste gevaar is dat de letters dóde letters worden. Dat de teksten veilig opgeborgen in de boekenkast verdwijnen. En het andere risico is dat geschreven teksten in eerste instantie je verstand aanspreken; en dat ze dan ook in je verstand blijven hangen en niet doordringen tot je hart.

“Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf!” Inderdaad, met het verstand van de wetgeleerde is niks mis. De woorden zitten in zijn hersens gegrift, maar zijn hart, zijn ziel en zijn kracht doen niet mee, laat staan de naastenliefde.

Jezus heeft dat goed door. “Inderdaad,” zegt hij, “u heeft uw lesje goed geleerd. U bent een goede schriftgeleerde. Maar als u het allemaal zo goed weet dan kunt u het toch gewoon doen?”

Het kan best eng zijn om over dingen van je hart te spreken en van je ziel; en over je kracht, je vermogen en onvermogen heb je het ook niet zo gauw. Daarom kiest de wetgeleerde maar liever voor een veiliger onderwerp: “Wie is mijn naaste?”

Misschien verwacht de wetgeleerde nu een eenduidig antwoord, gewoon wat voorschriften en een onomstotelijke definitie van het begrip ‘naaste’. — Maar je kan natuurlijk niemand voorschrijven hoe je hart dient te kloppen, en je kan ook geen regels opstellen voor je ziel. Als je dat wel doet dan krijg je extremistische toestanden, dan krijg je een sharia-wetgeving of je krijgt christenen die aan homo’s willen voorschrijven dat ze maar hetero-gevoelens moeten ontwikkelen, of je krijgt een verstarde kerk die zelfs aan Christus wil voorschrijven dat hij bij het ene tafelgebed wel onder brood en wijn mag verschijnen en bij het andere tafelgebed niet. — Als je dingen van het hart en van de ziel in regels en definities wilt vatten, dan wordt geloven een soort penningmeester-geloof, een geloof dat niet meer durft te verlangen dan hij in kas heeft.

De wetgeleerde is zo iemand van de baten en lasten, van de definities en regels: “Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?”

Maar van Jezus krijgt hij geen regels, geen voorschriften. Jezus vertelt een verhaal, een verhaal waarin je hart en je ziel en je kracht bij wijze van spreken als personen naar voren komen. Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan.

Eerst komt er een priester langs. Maar deze priester zoekt God blijkbaar in het hogere, in het priesterkoor op het hoogaltaar waar hij de opstijgende wierook achterna kijkt. Hij kent ook blijkbaar onze eerste lezing niet: “de geboden die ik u vandaag heb gegeven zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen?” Hij laat die man liggen want zo dadelijk heeft hij dienst in de tempel, daar zal hij weer ‘opstijgen’ om de geboden te ‘halen’.

Nu komt een Leviet langs. De Levieten zijn dè schriftgeleerden. Als er iemand is die de schriften door en door kent dan zijn het de Levieten wel. Er is geen komma dat zij niet van alle kanten onderzocht hebben. Wat je ook maar met je verstand over de schrift te weten kunt komen, de Levieten weten het al. Ze zijn de intellectuele elite, ze zijn de specialisten van het verstand. — Maar ook de Leviet maakt een grote boog om de gewonde man.

De priester zoekt het in het hogere, de Levieten zoeken het in de verste uithoeken van het menselijke brein, bij wijze van spreken aan de overkant van de intellectuele zee. Maar bij het doorpluizen van de schrift hebben ze blijkbaar ons stukje uit Deuteronomium over het hoofd gezien: “ook zijn mijn geboden niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen?”

Uiteindelijk komt er een Samaritaan. De Samaritanen, dat waren in die tijd de ongelovigen, de heidenen. En terwijl de priester en de Leviet zich druk maakten om God, maakt de Samaritaan werk van wat er menselijkerwijs gedaan moet worden. En door zo door en door menselijk te handelen, doet hij precies wat God ook gedaan zou hebben. Dan mag hij misschien niet in God geloven, maar voor de gewonde man wordt hij als God. De wetgeleerde vraagt aan Jezus wat hij moet doen om “deel te krijgen aan het eeuwige leven,” maar de Samaritaan heeft deel aan God.

De priester heeft het in de hemel niet gevonden, en de Leviet heeft het in de verste uithoeken van het verstand niet gevonden, terwijl het voor hun voeten lag, letterlijk voor het oprapen, gewoon op straat. De woorden zijn voor hen dode letters gebleven, opgesloten in stoffige boeken en liturgische formules, verkommerd en verlept in hun verstand.

“Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf!” — “Doe dat en u zult leven,” zegt Jezus. Laat die woorden doordringen tot in je hart, en tot in je ziel, en tot in elk vezel van je lichaam. Ze zijn niet in de hemel en ook niet aan de overkant van de zee, “nee, ze zijn heel dichtbij. U kunt ze volbrengen.”

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie