Sint Cecilia

Het jodendom, het christendom en de islam zijn godsdiensten van het boek. Alle drie hebben hun fundament in een boek: de Tora, de Bijbel of de Koran. Dat is aan de ene kant goed, want je kunt telkens weer je doen en laten toetsen aan de heilige schrift. Dat heeft Maarten Luther bijvoorbeeld gedaan. Hij wilde geen afsplitsing teweeg brengen, maar hij wilde de vele uitwassen van de kerk terugbrengen tot wat echt bijbels is. ‘Sola scriptura,’ de Schrift alleen moet richtsnoer zijn en niet wat de kerkvorsten het beste uitkomt.

Maar een godsdienst van het boek heeft ook nadelen. Het is namelijk heel verleidelijk om je te beperken tot wat er geschreven staat. Heel gauw denk je dan dat je er al bent. Dat zie je gebeuren in de streng orthodoxe richtingen van de islam, die de sharia willen invoeren met de Koran als wetboek. En je ziet het bijvoorbeeld ook in streng protestantse kringen, die hun kinderen niet inenten tegen de mazelen omdat er in de bijbel nou eenmaal niets over inenten staat. — Dat is dus het gevaar in de godsdiensten van het boek: dat je je beperkt tot wat je kunt opschrijven, en dat je genoegen neemt met wat zegbaar is.

Maar geloven doe je niet omdat je overtuigd raakt door feiten en vernuftige redeneringen, geloven doe je omdat je ervaart dat er meer is dan je kunt zeggen. Augustinus zegt dat heel treffend: “Wanneer we het halleluja zingen, verandert eigenlijk onze geest. Is het dan niet alsof we een voorproefje krijgen van de verheven stad Jeruzalem?” Als je zingt dan praat je niet óver de hemel, maar als je zingt dan ben je ín de hemel.

Als je dingen zegt of opschrijft dan heb je het óver de dingen, maar als je zingt dan krijg je er deel aan. In ons stukje wat we gelezen hebben, maar ook in veel andere preken en teksten werkt Augustinus die gedachte verder uit. Als je dan zingt van wat Jezus allemaal gedaan heeft, dan haal je die gebeurtenissen uit de geschiedenis naar de tegenwoordige tijd. En als je zingt van de belofte van God en de verwachting, dan haal je de toekomst naar de tegenwoordige tijd. Zo vallen tijdens je lied verleden, heden en toekomst samen. Als je zingt word je deel van de eeuwigheid.

En dat kan je niet in woorden vatten, dat kan je ook niet opschrijven in een heilige schrift — dat kan je alleen ervaren en ondergaan. Wat je niet kunt zeggen, dat kunnen we gelukkig wel zingen.

Daarom is de muziek zo belangrijk. In de Anglicaanse kerk is zanger-zijn zelfs een ambt met een liturgisch gewaad en een eigen stola. Want als zanger wijs je de weg naar de eeuwigheid. Waar de woorden ophouden ga je als zanger voor in de ontmoeting met het onzegbare. En als wij allen meezingen, dan nemen we samen een kijkje in de hemel.

Dat wordt ook van Cecilia verteld. In de 3e eeuw na Christus op het hoogtepunt van de christenvervolgingen werd zij als christen uitgehuwelijkt aan een heiden. En bij haar huwelijk raakte zij in extase omdat zij hemelse klanken hoorde. En misschien heeft de bruidegom die ook gehoord, want zowel haar man alsook haar zwager bekeerden zich tot het christendom en ze zorgden voor de families van de slachtoffers van de christenvervolging. — Zo gaat dat als je eenmaal een voorproefje van de hemel hebt mogen nemen.

Haar man en zwager werden uiteindelijk gevangen genomen en onthoofd. Cecilia werd gefolterd: zij werd in haar huis in een bad met kokend water gezet, en dat overleefde ze. Daarop sneden ze haar halsslagader door, maar ze leefde nog drie dagen lang. Ze werd bijgezet in de catacomben in Rome. Maar heilig verklaard werd ze pas toen in 1599 haar graf geopend werd en de onderzoekers een ongeschonden lichaam vonden van een jonge vrouw met een steekwond in haar hals en bloedvlekken op haar kleren.

Vervolgens werd op haar feestdag een antifoon gezongen: ‘Cantantibus organis Caecilia in caelum assumpta est.’ Dat werd later verkeerd vertaald met ‘Er klonk orgelspel toen Cecilia ten hemel werd opgenomen,’ vandaar dat ze ook de patroonheilige is van de orgelbouwers. Maar in de 3e eeuw bestonden nog helemaal geen orgels, dus het latijnse ‘organis’ had eigenlijk vertaald moeten worden met ‘stemorgaan’.

Ook hier zie je trouwens de beperktheid van het woord, want hoe moet je toch de klank van de hemelse gezangen in woorden vatten. En als je je dan beperkt tot wat er in woorden gezegd en geschreven kan worden dan krijg je alleen maar gekibbel over een vertaalfoutje. Maar het belangrijkste ontgaat je dan, namelijk: dat er naast wat je kunt zeggen nog zoveel meer is. En dat het goed is dat we een heilige hebben van de zangers en musici. Want zingen en musiceren is een heilige taak.

In de Boskapel kunnen we onze vingers aflikken bij zoveel zangers en musici. Jullie de koorzangers, die al jaren trouw en vol toewijding ons voorgaan in het zingen. En onze musici Nico Dieteren, Gerard Dierick, Els Roelands, Selma Peters en de mensen die er zo nu en dan mee musiceren. En Rob Engels, onze dirigent, die mag verder bouwen op de fundamenten die gelegd zijn door Jan Habraken, Geert Claessens en vooral door Gerard Friebel.

Augustinus zegt: “Kijk, wanneer we het halleluja zingen verandert eigenlijk onze geest. Is het dan niet alsof we een voorproefje krijgen van de verheven stad Jeruzalem?” Mogen we een zingende gemeenschap blijven.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie