Pinksteren: Zijn wat niet kan

Lezingen: Handelingen 2, 1-11 en Johannes 19, 19-23;

Afgelopen week liep ik na de viering met onze eerstecommunicantjes door de Boskapel. Ze mochten overal kijken. In de gedachteniskapel waar we het bidprentje van de opa van één van de kinderen vonden. In de Mariakapel, en hier in de grote ruimte. Ze hadden samen in de keuken matses gebakken en die legden we hier op de credenstafel naast de hosties… Maar het spannendste vonden ze toch hier boven waar het orgel staat. Mogen we ook naar boven?, vroegen ze alsmaar weer totdat het eindelijk mocht. — Na een kwartier was het net een kruiwagen vol kikkers, en we dachten dat we de rondleiding maar beter konden beëindigen.

Toen kwamen we tot slot bij het beeld van Augustinus. “Wie is dat?” vroegen ze, “de paus?”, “nee, Sinterklaas”. Huh? Wie is toch Augustinus? Ik vertelde over Augustinus en ik pakte het beeld van de wand dat ze het beter konden zien. Wat heeft Augustinus in zijn hand? Een boek. Ja, en wat voor boek zou dat kunnen zijn? De bijbel. En wat zit er op de bijbel? Een peer? Een appel? Een aardbei? OK, een hart. Maar we vonden samen dat de vormgeving van het hart stukken beter had gekund. En wat zie je boven op dat hart? Nou, daar is inderdaad niet meer zoveel te zien, want in de afgelopen jaren is er ook weleens wat afgebroken. En ik vertelde dat daar vlammetjes zitten. Een brandend hart, riep één van de kinderen. Juist. En wanneer heb je een brandend hart? Als je verliefd bent. Giechel, giechel…

Ik vertelde dat Augustinus in zijn jonge jaren verliefd was op een meisje, maar dat hij later op iets heel anders verliefd werd. Niet op dat boek, maar op degene over wie dat boek gaat. Augustinus werd verliefd op God.

Met Pinksteren vieren we dat we verliefd zijn op God. En, wat misschien nog veel belangrijker is, we vieren dat God verliefd is op ons. — Nu is dat misschien geen verliefdheid meer zoals je die meemaakt als je 20 bent. Je ligt er niet wakker van en je voelt ook geen vlinders in de buik. Misschien is het veelmeer de vertrouwdheid en de vanzelfsprekendheid van een oud echtpaar.

Maar de verliefdheid maakt dat je bewust, en nog veel vaker onbewust, probeert om in de geest van de ander te leven. Je houdt rekening met de ander, en naar mate de liefde voortduurt wordt de ander een deel van jezelf, en word jij een deel van de ander. Als je verliefd bent dan word je dus wat eigenlijk niet kan, je wordt deel van elkaar.
Als je van iemand houdt, en vooral als iemand van jou houdt, dan krijg je vleugels. Dan stijg je boven jezelf uit. Opeens blijk je dingen te kunnen die je nooit gedacht had. In onze lezingen blijken de leerlingen opeens allerlei vreemde talen te kunnen spreken. Dat is natuurlijk een beeld. Een beeld voor hoe de wereld voor je open gaat, hoe je blik ruimer wordt. Hoe je groter wordt dan jezelf. En in ons evangelie geeft Jezus aan zijn leerlingen de gave om zonden te vergeven. Het was natuurlijk nooit de bedoeling dat we dat versmallen tot het verlenen van de absolutie. Het vergeven van zonden is hier een beeld voor dat je doet wat eigenlijk alleen God kan doen.

— En dan is vergeven misschien helemaal geen zo gek voorbeeld, want als je vergeeft dan moet je inderdaad van jezelf afkijken en boven jezelf uitstijgen. Je moet doen wat, als je jezelf serieus neemt, eigenlijk niet kan. Je handelt dan niet meer alleen in jouw geest, maar je handelt in een geest die jouw eigen belang overstijgt. —

Jezus zegt: “Ontvang de heilige Geest.” Je zult niet alleen jezelf zijn, maar vanaf nu zal je ook een beetje God zijn. Zijn wat niet kan.

Er verschenen vlammen die zich op hun hoofden neerzetten. Een brandende geest, een brandend hart; God en mensen raken zo van elkaar doordrongen zoals dat eigenlijk alleen gebeurt als je verliefd bent. Ik zei het al, het is misschien een oude liefde, maar vandaag vieren we die liefde. We vieren dat we verliefd zijn op God, maar vooral dat God verliefd is in ons.

En laten we dan maar kijken hoe vaak we niet kunnen zijn wat eigenlijk niet kan. Er zijn gelegenheden genoeg. Om te beginnen met de eerste communie die we komende zondag zullen vieren. Dan nemen we de kinderen op in de gemeenschap aan tafel, waar we brood en wijn ontvangen om in Gods geest te leven. En over zes weken vieren het 50 jarig bestaan van onze Boskapel; dat we al 50 jaar met elkaar proberen om te zijn wat niet kan. Maar vooral hopen we dat God op ons verliefd wil blijven, en dat hij ons zo vleugels geeft om telkens weer boven onszelf uit te stijgen. Maar het gebeurt ook in het klein, straks als je thuis komt, of op een gewone dag, dat je meer blijkt te kunnen dan dat je dacht. Dat het je lukt om te zijn wat niet kan.

Zo moge het zijn.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie