Leeftocht: op heilige grond

Lezingen: Exodus 3, 1-8; 13-14, Lucas 13, 6-9

Op onze weg door de veertigdagentijd komen we vandaag op heilige grond. In onze eerste lezing komt Mozes midden in de woestijn opeens op heilige grond te staan. en in ons evangelie verandert de grond rondom de vijgenboom in heilige grond.

Welkom hier in de Boskapel, waar we met elkaar een plek proberen te zijn die af en toe, soms heel even heilige grond wordt.

Waarschijnlijk gaat je weg niet over rozen. Waarschijnlijk zitten op je levensweg hele stukken woestijn. Maar soms kan het gebeuren dat we opeens in vruchtbare aarde komen te staan en dat onze knoppen weer gaan uitlopen. Opeens komen we op heilige grond terecht. En dat geeft ons moed om verder te gaan op weg naar goede grond, beloofd land, ‘een hele wereld te winnen.

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen

Overweging

Mozes moet zijn sandalen uitdoen omdat hij midden in de woestijn opeens op heilige grond komt te staan. En in ons evangelie vraagt de wijngaardenier: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven…” De wijngaardenier gelooft erin dat ook de meest ingeklonken en vastzittende grond heilige grond kan worden. Heilige grond midden in de woestijn en heilige grond onder een dorre en dode vijgenboom.

Waar loopt jouw leven door de woestijn? Wat is er allemaal in jouw leven ingeklonken en vast komen te zitten? Je trapt alsmaar weer in dezelfde valkuilen. Als je ruzie hebt probeer je het alsmaar weer met dezelfde argumenten op te lossen. Verhoudingen met anderen die je zo graag anders zou willen hebben. Op het werk alsmaar weer dezelfde mitsen en maren. Misschien heb je met ziekte te maken en zou je wel willen dat het met een beetje spitten en water geven beter kon worden. En als je iemand aan de dood verloren hebt is het soms alsof de boom omgehakt is. — Dan loop je door de woestijn over droge en onvruchtbare grond. Dan staat jouw boom in vastzittende en ingeklonken grond.

“Mozes was gewoon, de schapen en geiten van zijn schoonvader te weiden.” Hij was eraan gewend, het leven ging zijn gewone gangetje, en waarschijnlijk had hij ook zo’n beetje zijn gewone vaste route langs de plekken waar hij gras en water voor de kudde kon vinden. Maar, zo staat hier: “eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland”, opeens wijkt hij af van zijn gewone route. En juist daar gebeurt het, opeens gaat hij verder dan ooit en komt hij op heilige grond.

In feite doet Mozes hier in het klein wat hij straks met zijn volk in het groot gaat doen. Hij doet een soort mini-uittocht uit het rustige leventje en een soort mini-aankomst in het beloofde land. Hij trekt met de kudde van zijn schoonvader “voorbij het steppeland” verder de woestijn in en juist daar vindt hij heilige grond. — En daar vanuit het brandende braambos krijgt hij de opdracht om dit nu ook in het groot te doen: hij moet zijn volk uit Egypte bevrijden en in een grote uittocht de woestijn in trekken naar het beloofde land.

“Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan, en wie ben ik dat ik de Israëlieten uit Egypte zou leiden?” vraagt hij, maar God zal zich op zijn beurt afgevraagd hebben: wie ben jij dat je je leven slijt met het hoeden van schapen en geiten? Wie ben jij dat je alsmaar weer in hetzelfde kringetje ronddraait? Wie ben jij dat je leventje alsmaar weer zijn gewone gangetje gaat? — En God zegt: “Ik zal bij je zijn.”

Dit verhaal van het brandende braambos wordt vaak aangehaald als het verhaal waar Gód zich bekend maakt. “Wat moet ik zeggen als de Israëlieten mij vragen, wat is de naam van die God?” Maar eigenlijk is hier de vraag die Mozes eerst stelt veel belangrijker, namelijk: “Wie ben ik?” — En God antwoordt: jij bent een mens aan wie ik beloof: Ik zal bij je zijn.

Vanochtend hebben we bij onze wandelstok een gieter neergezet. God ‘giet’ als je zo wilt zijn belofte over onze dorre grond: ik zal bij je zijn. En elke keer dat de wijngaardenier de spade in de grond steekt spit hij die belofte erin. “Ik zal bij je zijn”, dat is is de mest die de grond helemaal doordringt. Dat God tegen ons zegt: ik zal bij je zijn, dat is onze leeftocht.

In het verhaal van de bekering van Augustinus wordt verteld dat Augustinus zich wanhopig onder een vijgenboom op de grond werpt. De vijgenboom is in de hele bijbel het symbool voor een leven met God. Dat je in vrede onder je vijgenboom kunt zitten — of onder je wijnstok, vandaar de wijngaardenier – dat is het het koninkrijk van God. En later zal Augustinus in zijn Belijdenissen verzuchten: “Veel te laat heb ik u liefgekregen. Ja, u was binnen in mij en ik buiten en daar zocht ik u.” (X, 27) — Het is onder die vijgenboom dat Augustinus ziet dat God bij hem is, zelfs binnen in hem.

Onder die vijgenboom ontdekt Augustinus dat hij al lang op heilige grond staat. God heeft al lang zijn belofte waargemaakt: “Ik zal bij je zijn”. De vijgenboom staat al lang in vruchtbare grond en de knoppen staan op springen.

Je kan je hele leven lang rondlopen zonder dit door te hebben. Je kan je hele leven lang de gewone paden bewandelen totdat de grond onder je voeten helemaal vastgestampt is en ingeklonken. En je kan je hele leven lang rondlopen met het idee: zo is het nou eenmaal, meer vruchten zitten er gewoon niet in, wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan, wie ben ik dat ik meer zou mogen verwachten?

Maar midden in de woestijn komt Mozes plotseling op heilige grond te staan. En de wijngaardenier gelooft erin dat ook de meest ingeklonken grond heilige grond kan worden. Want waar je ook gaat, je gaat met de belofte: ik zal bij je zijn.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie