Leeftocht: in de woestijn

Lezingen: Deuteronomium 26, 4-10 en Lucas 4, 1-13

“Mijn vader was een zwervende Arameeër…” zo moet de priester in onze eerste lezing bidden als hij de offergaven naar het altaar brengt. En dan gaat het gebed verder met de slavernij in Egypte, en de bevrijding, en hoe het volk Israel na opnieuw 40 jaar door de woestijn te hebben gezworven uiteindelijk aankomt in het beloofde land dat overvloeit van melk en honing. Je zou kunnen denken dat hier de geschiedenis van het volk Israel verteld wordt, maar dat is het niet. Dit tafelgebed, dat is het hele menselijke bestaan in een notendop:

Die ‘zwervende Arameeër’ dat zijn wij met onze omzwervingen, ons niet weten, onze domheid, wegen die we proberen en die ons toch niet brengen waar wij gehoopt hadden, onze fouten en tekortkomingen.

Egypte, dat is ons Egypte, waar wij gevangen zitten in vastgeroeste patronen, mensen en omstandigheden die ons het leven zuur maken. Maar waar we ook niet uitkomen omdat we stiekem als maar terug willen naar de vleespotten van Egypte.

En dan toch weer de bevrijding. Dat je er toch van loskomt. Dat je toch stappen durft te zetten. Dat er mensen zijn die jou moed geven, en misschien is het ook God zelf die jou vertrouwen geeft. Dat je op weg gaat, ook al leidt die weg je eerst door de woestijn.

En uiteindelijk legt de priester ook de droom op tafel. De droom van een land van melk en honing. Waar je in vrede kunt leven, waar je gezien wordt en waar je kunt zijn wie je ten diepste bent. Waar jij en alle mensen beeld en gelijkenis van God zijn, en waar God midden onder zijn mensen woont.

“Mijn vader was een zwervende Arameeër…”, met deze woorden legt de priester in de oudtestamentische tijd ons hele menselijke bestaan op de offertafel. En waarschijnlijk had Augustinus ook dit tafelgebed uit onze eerste lezing in gedachten toen hij formuleerde dat wij in brood en wijn eigenlijk onszelf op tafel leggen. Ons hele bestaan, zoals we zijn en zoals we zouden willen zijn. Met onze kortzichtigheid en met onze dromen en vergezichten. —

Dat is de tocht door ons leven, maar dat is tegelijkertijd ook onze leeftocht. Dat is de knapzak die aangeeft dat we zwervers zijn door de woestijn, en tegelijkertijd is onze knapzak gevuld met — ja, waarmee eigenlijk? — Ik probeer het maar zo te zeggen: de knapzak is gevuld met dat we bestemd zijn voor het beloofde land.

“Geleid door de Geest zwierf Jezus veertig dagen rond in de woestijn.” Zo begint ons evangelie. Daar is die dus weer: onze ‘zwervende Arameeër’. Je zou kunnen denken dat ons evangelie een waar gebeurd verhaal vertelt, maar dat is niet zo. Het vertelt een waarheid die dieper gaat dan wat er gebeurt. Wat hier ten diepste verteld wordt is dat Jezus zich volledig onderdompelt in het menszijn.

Hij gaat ónze woestijn in, met al ons gezwerf, met fatamorgana’s die zich in het niets oplossen, met al die wegen die geen wegen blijken te zijn, over droge en onvruchtbare grond. En hij gaat ónze leegte in. Maar die leegte wordt extra pijnlijk doordat in die leegte juist ruimte ontstaat voor eindeloze vergezichten.

“Konden we toch maar van stenen brood maken”, is zo’n vergezicht. Als we er toch voor konden zorgen dat iedereen krijgt wat hem toekomt, geen honger meer, geen uitbuiting. Geen vluchtelingen meer op zoek naar welvaart en perspectief. Geen mensen meer die in de rij moeten staan bij de voedselbank. — De mens leeft niet van brood alleen, antwoordt Jezus. Maar waarvan wel? Jezus doet zijn knapzak open en hij vindt daarin zichzelf. Dat we elkaar niet afschepen met aalmoezen, maar dat we onszelf op tafel leggen, dat we zelf voor elkaar tot brood worden.

Nu neemt de duivel hem mee naar een plek van waaruit hij alle koninkrijken van de wereld kan overzien. “Ik geef u de macht over alles” — Wat zou het toch mooi zijn als we de macht hadden om al onze goede bedoelingen waar te maken. Gerechtigheid en vrede, alle mensen leven lang en gelukkig. Maar Lucas vertelt in een adem door waar dat toe leidt: voor dat je er erg in hebt schiet je met al je goede bedoelingen je doel voorbij, dan ga je voor de duivel door de knieën en bid je hem aan. Nee, Jezus kijkt in zijn knapzak en hij vindt daarin alleen maar een handjevol woestijnzand wat erin gewaaid is. Je hebt geen koninkrijken nodig, maar het zand van de weg naar het beloofde land.

En uiteindelijk belanden ze op het hoogste punt van de tempel. “Spring dan naar beneden want ‘zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken. Op hun handen zullen zij u dragen.'” — Dat zou natuurlijk het allermooiste zijn, dat God alles zelf zou regelen. Dan was het pas echt goed. Maar Jezus antwoordt: “stel de Heer, uw God, niet op de proef” en in zijn knapzak vindt hij een stel vleugels. Als je alles aan hem overlaat dan kan God geen engel meer van jou maken.

Met kerst hebben we gevierd dat God mens wordt, maar hier in de woestijn wordt Jezus pas echt mens. Hier begint hij namelijk aan ónze leef-tocht. Met alle ontberingen en met alle dromen die de woestijn met zich meebrengt, maar ook met de leeftocht die we hebben meegekregen, namelijk dat we bestemd zijn voor het beloofde land.

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie