Lachen van grenzenloos geluk

Lezing: Genesis 18, 1-15

Stel dat er naar je stoutste dromen gevraagd wordt, naar je grootste wens; stel dat je gevraagd wordt naar je diepste verlangen. — Waarschijnlijk zou je niet eens meteen kunnen antwoorden, want je diepste wensen zijn kwetsbaar en die bewaar je op een veilige plek. Je zou waarschijnlijk eerst bij jezelf een beetje naar binnen moeten gaan, even het tentdoek opzij schuiven, zoals Sara doet.

En stel dat je dan te horen krijgt dat je stoutste dromen waarheid worden, dat je grootste wens in vervulling gaat, en dat je diepste verlangen beantwoord wordt. — Ik denk dat je eerste reactie een lachje zou zijn, zoals Sara lacht.

Een beetje een verlegen lachje. En een lachje waarmee je je een beetje indekt, want wie weet of de ander met jou diepste gevoelens niet toch aan de haal gaat, dan kan je altijd nog zo doen alsof je de humor ervan inziet. Maar voor hetzelfde geld kan je lachje ook overgaan in een grote lach omdat je je geluk niet op kunt. — Waarom lacht Sara?

Ik weet natuurlijk niet wat je diepste verlangen is. Misschien verlang je ernaar dat jij of je naaste gezond wordt. Misschien verlang je naar verzoening en naar verhoudingen die heilzaam zijn. Het kunnen natuurlijk ook heel eigen en heel concrete wensen zijn, dromen die jou gelukkig of gelukkiger zouden maken. Misschien een beetje het geluk wat ook van het tafereel afstraalt voor de tent van Abraham en Sara: heerlijk zomer en in de koelte van de schaduw een feestmaal waar de tafels van buigen. En dan nog goed gezelschap aan tafel; Abraham heeft meteen door dat in de drie bezoekers God zelf bij hem op bezoek komt.

En de bezoekers beloven dat de diepste wens van Abraham en Sara eindelijk in vervulling zal gaan. Ze zullen een kind krijgen. — Ook dat kan je diepste verlangen zijn: een kind. Het kan je diep verdriet geven als je het niet geschonken is, en als het je wel gegeven is kan het je intens gelukkig maken. —

Maar bij de kinderwens van Abraham en Sara gaat het niet alleen om privé-geluk. Ons verhaal is geen verhaal van ene zekere stokoude Abraham met zijn vrouw Sara die bezoek krijgen van drie voorbijgangers en vervolgens alsnog een kind krijgen. Misschien hebben die twee daadwerkelijk geleefd, maar het verhaal is veel groter dan die twee. Het overstijgt hen. Ook hun leeftijd overstijgt hen; Abraham is 100 jaar, wordt verderop verteld.

Het gaat erom dat Abraham en Sara ook onze vader en onze moeder worden, onze aartsvader en aartsmoeder. Als Augustinus over God spreekt dan spreekt hij over ons hart; God zit in je hart. En dat heeft hij niet zelf verzonnen, maar dat vind je in het hele oude testament, en vooral ook in ons verhaal van Abraham en Sara. Geloof is geen ‘overtuiging’, maar geloof zit je in de genen; God zit je in de genen.

En daarom is het in het oude testament zo belangrijk dat mensen waarin God zichtbaar wordt ook echt lichamelijk nageslacht krijgen. — Nog steeds is het in het jodendom zo dat je niet zomaar jood kunt worden, maar je bent jood als je uit een joodse moeder geboren wordt. Het geloof wordt in eerste instantie niet geestelijk maar juist lichamelijk via de moeder doorgegeven. — De verbondenheid van God met zijn mensen gaat veel verder dan je overtuiging of wat je met je mond kunt belijden. De verbondenheid met God gaat veel dieper, tot in je hart en tot in je genen.

Het was daarom een ramp dat Abraham en Sara nog steeds geen kinderen hadden. Niet vanwege hunzelf, maar vanwege God. Hoe moet het toch verder met God als hij geen stamhouder meer heeft? En hoe moet het toch verder met deze wereld als God niet meer aanwezig is in de harten en in de genen van mensen? — Het was dus het diepste verlangen van Abraham en Sara dat ze een kind zouden krijgen. Niet voor henzelf, maar zodat ook wij kinderen van hen konden zijn, en dat ook wij kinderen van God konden zijn.

Op het moment dat Sara door het tentdoek te horen krijgt dat dit nu eindelijk in vervulling zal gaan is het alsof het kampement van Abraham en Sara verandert in een plek zoals God de wereld bedoeld heeft: De koele schaduw van de eiken van Mamre. Je krijgt water om het stof van je voeten te wassen, om alles achter te laten wat je weg bezwaarlijk maakt. En vervolgens doet de plek zijn naam eer aan, ‘Mamre’ betekent namelijk ‘vet zijn’. De tafels buigen dan ook onder het feestmaal met de allerbeste spijzen en drank. En daar zitten God en mensen samen aan tafel, en die verbondenheid aan tafel wordt nog overtroffen doordat de mensen in hun genen, in hun hart ‘zwanger’ zijn van God.

En Sara lacht. Een lach misschien eerst nog van ongeloof, zou het werkelijk gebeuren? Maar gaandeweg wordt het een lach van grenzeloos geluk. “Waarom lacht Sara,” gelooft ze het soms niet? “Nee, ik heb niet gelachen.” “Jawel, je hebt wel gelachen.”

Ik denk dat zij met elkaar nog veel gelachen hebben die middag onder de eiken van Mamre. Ze zitten er nog steeds, en ondertussen schuiven hun kinderen en kindskinderen aan. Generaties van mensen die God in hun hart en in hun genen hebben zitten. En wij schuiven ook aan.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie