Je onderscheiding ligt al klaar

Lezingen: Jesaja 6, 1-8 Lucas 5, 1-11

Uit mijn tijd in Duitsland heb ik een aantal carnavalsonderscheidingen. De mensen in het dorp dachten namelijk: als hij elke zondag op de preekstoel kan staan, dan kan die vast ook in de buut staan… Maar deze carnavalsmedaille heb ik wel op een heel bijzondere manier gekregen: De carnavalsvereniging van drie dorpen verder op had namelijk een nieuwe vlag gekregen en die wilden ze graag gezegend hebben. Ze belden hun dominee die tegelijkertijd ook onze deken was, maar zijzelf voelde zich te protestants en alle andere collega’s blijkbaar ook. En toen dacht ze aan mij: Ekkehard, jij bent toch van de rituelen, zou jij de vlag van de carnavalsvereniging willen zegenen? En zo geschiedde.

Ik leende van de katholieke pastoor het Benedictionale Romanum en stond opeens op de bühne met een feestzaal voor me met allemaal van die lange tafels. De mensen hadden al de try-out van de komende carnavalszitting achter de rug en ook al behoorlijk wat op, maar toen ik ze vroeg om te gaan staan werden ze toch heel aandachtig en stil. — Toen ik klaar was kreeg ik applaus en de carnavalspresident hing mij plechtig deze onderscheiding om mijn nek. En met een carnavalsmars en Alaaf werd ik weer van het podium geleid.

Het leuke aan carnaval vind ik dat zo’n carnavalszitting in wezen een hoogmis is. Met intocht en acclamaties en al. Qua vorm is het een hoogstaande plechtstatige plechtigheid, maar qua inhoud staat het heel dicht bij de mensen. En normaal gesproken krijg je in de samenleving alleen maar een onderscheiding als je je leven gewaagd hebt, of als je je in bijzondere mate in de maatschappij verdienstelijk hebt gemaakt; in de carnaval is de onderscheiding voor gewone mensen.

En eigenlijk is dat ook de bedoeling van wat we vandaag in het evangelie lezen. We lezen uit het ‘heilige evangelie van Lucas’, we staan stil bij Jezus de Messias en bij de apostelen — maar uiteindelijk gaat het erom wat wíj ervan maken. We lezen het verhaal in het evangelie, maar de bedoeling is dat het verhaal gaat. Dat het doorgaat, dat het niet alleen doorverteld wordt, maar dat het voortgezet wordt, voortgeleefd, als je zo wilt.

En Lucas maakt dat op een heel bijzondere manier duidelijk. Hij heeft namelijk eigenlijk drie verhalen op de plank liggen en daar maakt hij nu één van. En waarschijnlijk heeft u ze alledrie herkend: eerst het verhaal waar Jezus in een boot stapt om vanuit de boot de menigte beter toe te kunnen spreken. Dan het verhaal van de wonderbaarlijke visvangst. En het derde verhaal, de roeping van Petrus en de anderen om van hen vissers van mensen te maken. —

Zo vertelt Lucas ons drie verhalen, maar eigenlijk gaat het hem om het vierde verhaal. Het is een uitnodiging om net als hij aan het werk te gaan en om er ons eigen verhaal aan toe te voegen. — Niet Lucas, niet Jezus en ook niet de leerlingen verdienen een onderscheiding voor wat ze gedaan en verkondigd hebben, maar het gaat erom dat jíj een onderscheiding krijgt voor je eigen verhaal.

En voor ons eigen verhaal geeft Lucas ons een aantal hints: Jezus stapt in de boot, en dat zegt al iets wezenlijks over zijn boodschap. Hij stapt niet op een bordes om zich boven de mensen te verheffen, want leven in Gods zin heeft niets te maken met zichzelf verhogen of met boven anderen uitgetild worden. Jezus stapt in een boot, want leven in Gods zin betekent buiten de gewone paden te treden. Je moet de vaste grond onder je voeten verlaten en je toevertrouwen aan een wankel schuitje. Je moet de ingesleten en beknellende waarheden achterlaten en het ruime sop kiezen. En je moet het aandurven om je leven van een afstandje opnieuw te bekijken. — Op naar het nieuwe, en verder gaan dan dat je eigenlijk durft.

Hint nummer twee: Petrus, Jakobus en Johannes waren de hele nacht aan het vissen, maar ze keren met lege netten terug. Maar Jezus zegt, probeer het opnieuw. En u heeft het verhaal herkend, in het andere evangelie zegt Jezus ook nog: gooi het over een andere boeg. — Alweer vraagt Jezus om de uitgesleten paden te verlaten, om het opnieuw te proberen. Alweer de vraag om de oude waarheden achter te laten en het letterlijk over een andere boeg te gooien. — Tegelijkertijd is er ook begrip voor dat je dat eigenlijk niet in je eentje aankunt. De andere boten schieten je te hulp. Samen breng je de vangst binnen.

En hint nummer drie: dat is het verhaal van de roeping van Petrus. Hij heeft al lang de vaste grond verlaten en is samen met Jezus in dat wankele bootje gestapt. Hij heeft het samen met Jezus over een andere boeg gegooid en zo de visvangst van zijn leven binnengehaald. En nu zegt Jezus tot hem en de anderen: ik zal u vissers van mensen maken.

Dat is niet alleen taalkundig een vondst, maar het geeft vooral aan waar het in wezen om gaat: Niet Hij, de Messias zal het volbrengen, maar de mensen. Niet de hotemetoten, maar de eenvoudige visser.

En nu gaat het om het vierde verhaal; om jouw verhaal. Het is geen weg van vaste grond onder je voeten; en ook geen verheven voetstuk van rotsvaste waarheden. Maar het is een wankel schuitje op de open zee van je leven. Het is ook geen aanhaken bij de grote leermeester of schuilen bij God die het allemaal zal bedisselen, maar het is telkens weer opnieuw uitvaren en over een andere boeg gooien. En je vindt het sowieso buiten boord, buiten de geijkte paden. Maar je doet het niet alleen, de andere boten komen je te hulp, mensen van goede wil. En dan kan het zomaar gebeuren dat God in hetzelfde schuitje zit.

In onze eerste lezing krijgt Jesaja het er Spaans benauwd van: “Wee mij! Ik moet zwijgen, want,” en dat bedoelt hij hier eigenlijk: ik ben toch maar een gewoon mens. Maar God heeft de carnavalsonderscheiding voor jou al klaar liggen, en hij blijft vragen: “Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?”, totdat Jesaja, totdat jij, uiteindelijk roept: “Hier ben ik, stuur mij.” — Zo schrijf je je eigen verhaal. Zo voeg je er je eigen verhaal aan toe. Het verhaal gaat.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie