God laat ons niet alleen

Lezingen: 1 Samuël 12, 19b-24 en Johannes 14, 15-21

Sommigen van u zijn er nog mee opgegroeid: het beeld van een alziende straffende God. Toch is het zelfs in het eerste testament vaak geen weergave van de manier waarop God gezien wil worden. We horen vandaag in de eerste lezing over het volk Israël dat heeft gezondigd en bang is voor straf. Maar God zegt, bij monde van de profeet Samuël, dat hij zijn volk blijft liefhebben.

In het evangelie van vandaag komt die straffende God ook niet meer ter sprake. Jezus’ beeld van een liefhebbende vader, van een helper en trooster laat zien dat er vele beelden van God mogelijk zijn.

Wij kunnen God niet zien. Onze manier van spreken — en niet te vergeten: zingen, kan niet anders dan in beelden en namen die steeds weer een facet beschrijven: een schoot van ontferming , een licht, een vriend, een herder. Al deze namen laten ook zien dat God zich om ons bekommert. Hij laat ons niet alleen.

Overweging

Wees lief voor je moeder.
Snauw haar nooit af.
want als ze later dood is,
schrei je bloedtranen op haar graf.

Dit versje schreef een Surinaams klasgenootje in mijn poëziealbum toen ik in de vijfde klas zat. Ik was er zo van onder de indruk — vooral die bloedtranen natuurlijk — dat ik het nog steeds kan opzeggen. Maar helaas, niemand is altijd lief voor zijn of haar moeder, ik ook niet en natuurlijk heb je dan spijt of gewetenswroeging. Dat zijn hele normale gevoelens wanneer een geliefd persoon is gestorven. Er zijn altijd dingen die je achteraf anders, beter had willen doen. Als het te laat is kun je niets meer goedmaken.

Of toch wel? Trek de vergelijking met je moeder, — het mag ook je vader zijn natuurlijk — even door en dan is er wel degelijk iets wat je na de dood van je ouders nog kunt doen. Je kunt immers proberen te leven in de geest waarin zij je hebben opgevoed. Als dat een goede geest was, een geest van oprechtheid en liefde. kun je die blijven volgen in je leven. Mijn ouders waren geen ideale ouders, ik was geen ideaal kind. Toch kun je achterhalen hoe zij het graag hadden willen doen, de meest ouders zijn immers van goede wil.

Maar je kunt ook andere mensen in je leven tot voorbeeld nemen: die ene leraar die zo inspirerend lesgaf en op die manier jouw beroepskeuze heeft bepaald. Die ene vriendin, die je zelfs midden in de nacht nog kunt bellen als je het niet meer ziet zitten. Je partner die je trouw bleef in goede en kwade dagen. Overal om ons heen zijn mensen die ons inspireren op onze levensweg, in wiens geest wij proberen te leven.

Zo is het ook de leerlingen van Jezus, die in de gemeente van Johannes bijeen waren, vergaan. Ze keken terug naar de tijd dat Jezus nog bij hen was want ze verkeerden in moeilijke omstandigheden. Ze leefden in de nabijheid van de synagoge, die de Christengelovigen niet tolereerde. Ze leefden in angst voor uitsluiting en excommunicatie. Maar ze putten moed uit wat hij hen in zijn afscheidsrede vóór zijn dood en verrijzenis had toegezegd: Als jullie mijn geboden onderhouden, laat ik jullie niet als wezen achter, dan kom ik bij jullie terug.

Wat die geboden zijn, wordt hier niet expliciet genoemd, maar bij Johannes komt het in zijn hele evangelie tot uitdrukking: het gaat Jezus om de onderlinge liefde. Ook wordt zo onmiddellijk duidelijk dat er geen uitverkoren leerlingen zijn, die alléén de geest ontvangen. Geen elite, geen uitverkorenen die een speciale positie innemen in de hiërarchie We zullen dat straks ook met Pinksteren zien: de Geest openbaart zich aan alle leerlingen die samen bijeen zijn, aan de gemeenschap. Het is die Geest waarvan Jezus zegt: “Ik zal jullie een andere pleitbezorger geven die altijd bij jullie zal zijn: De Geest van de waarheid.” En de gemeenschap zal die Geest ontvangen als zij die onderlinge liefde ook waarlijk beoefent. Die pleitbezorger, ook wel helper of trooster genoemd, is de Johanneïsche gemeenschap tot steun in de moeilijke tijden die zij doormaakt.

Maar het blijft niet bij de auteurs van dat evangelie. Deze belofte is ook aan ons gericht. Ook in ons hart zal de trooster en helper wonen, wij zijn immers volgelingen van dezelfde Messias.

Jezus zegt nog iets anders over die Geest: de wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Toch… in ons zal hij wonen. Zien wij de Geest dan wel? Niet als we in de spiegel kijken maar juist als we doen zoals Augustinus zegt in zijn regel voor de gemeenschap: Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen, een van ziel en een van hart op weg naar God. En ergens anders in diezelfde regel: eert in elkaar God. Augustinus zet hier de liefde tot de naaste nog voor de liefde tot God en daarmee zit hij precies op het spoor van Jezus zoals die bij Johannes spreekt.

Wij wonen niet tezamen in een klooster, maar toch kunnen we aan deze aansporing onze eigen invulling geven. In een gemeenschap als de onze, die genoodzaakt was haar eigen weg te gaan, moet iedereen naar vermogen zijn steentje bijdragen aan de opbouw ervan.

In zijn brief aan de weduwe Proba en de kring rondom haar zegt Augustinus:

Ieder van u moet doen wat zij kan. Kan de ene minder, dan zal zij meer kunnen in de ander, tenminste als zij in de ander bemint en waardeert wat zij zelf niet kan doen omdat zij er niet toe in staat is. Zo ook mag degene die tot minder in staat is de ander niet hinderen die tot meer in staat is; en degene die tot meer in staat is, mag haar die minder kan niet onder druk zetten. Het enige dat u elkaar schuldig bent is de liefde voor elkaar.

En daar waar die liefde aanwezig is, daar is God, zullen we straks bij de voorbeden zingen.

Over enkele weken vieren we het 50-jarig bestaan van de Boskapel. We hebben de aanwezigheid van Gods Geest kunnen zien in onze beste momenten waar aandacht en respect voor elkaar onze gemeenschap kenmerkten.

Voor de toekomst hebben wij net als de eerste leerlingen de opdracht gekregen elkaar lief te hebben. Dan mogen wij er ook op hopen dat Gods geest in ons hart zal wonen. Zo moge het zijn.

Annemiek Alferink

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie