Een leven, sprankelend als wijn

Lezingen: Jesaja 62, 1-5 en Johannes 2, 1-11

Zoals u weet kom ik uit een wijnstreek. Geboren en getogen in Worms waar niet alleen Maarten Luther zijn, in feite augustijnse, hervormingsplannen heeft verdedigd, maar waar vooral midden in de stad een wijngaard ligt waar de beroemde Liebfraumilch geoogst wordt. Tegenwoordig is dat een merknaam voor goedkope zoetige wijn, maar oorspronkelijk mocht die naam alleen gebruikt worden voor wijn uit een gebied “zover als de toren van de Liebfrauenkirche, dus de kerk van onze lieve vrouw, zijn schaduw kon werpen.”

Na mijn studie heb ik mijn eerste stappen als voorganger gezet in drie wijndorpjes. “Beste mensen, drink wijn, water moeten we kopen!” riepen de wijnboeren altijd bij feestjes. En wanneer dan in de kerk het verhaal van de bruiloft te Kana gelezen werd konden zij zich daar werkelijk niets bij voorstellen. Dat wijn op zou kunnen raken dat was gewoon ondenkbaar. Aan de andere kant: het idee om dan water te moeten drinken, dat komt in een wijnstreek des te harder aan. Als je zo ver bent dat je water moet drinken dan heeft het leven toch werkelijk alle glans verloren.

Op een oriëntaalse bruiloft is dat natuurlijk ook niet voor te stellen. Een bruiloft waar de wijn opraakt, dat bestaat gewoon niet. — Maar wat wel bestaat, is dat er in je leven weleens de wijn opraakt. Dat de sprankeling eruit is en dat je water drinkt. De dagelijkse sleur, de dagen en uren die als water door de vingers glippen. Contacten en vriendschappen die verwateren. Je verlangens en je plannen die in het water vallen. De Fransen noemen water zonder bubbels ‘eau plate’, plat water zoals ook de Vlamingen zeggen. Dat je leven vlak wordt zonder grote lichtpuntjes om naar uit te zien. Het kabbelt een beetje door, neutraal, zonder kleur en zonder smaak.

Of erger nog, dat je als de stenen watervaten helemaal leeg bent. Dat je door zorgen en door verdriet helemaal opgedroogd bent. Je voelt je machteloos en je staat nutteloos aan de kant. En langzaam aan merk je dat je net zo versteent als de stenen vaten.

En dan snak je naar wijn, naar smaak en kleur, en naar de sprankeling die doordringt tot in al je vezels. Johannes vertelt ons geen verhaal van een bruiloft, hij vertelt ons ook niet dat de wijn opgeraakt is en het gaat ook niet over Jezus die op een wonderbaarlijke manier van water wijn maakt. Dat is slechts de buitenkant van het verhaal. En deze buitenkant maakt hij expres zo ongeloofwaardig, namelijk een bruiloft waar de wijn opraakt, om aan te geven: let op, het gaat om de binnenkant!

Jezus en zijn moeder komen “op de derde dag” aan. Aan de buitenkant is dat een datum, maar aan de binnenkant is de derde dag in de hel bijbel dé dag waar God zich laat zien. Alle ingrijpende gebeurtenissen gebeuren op de derde dag, dan komt God in actie. En uiteindelijk gebeurt ook de verrijzenis op de derde dag. De derde dag, dat is de dag waar dood verandert in leven.

En het gaat ook niet om een letterlijke bruiloft, er worden hier niet eens bruid en bruidegom genoemd. Maar het gaat erom, zoals we dat bij Jesaja gelezen hebben, dat God naar jou “verlangt als een jongeman naar zijn meisje”. “Zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over jou verheugen.” God verbindt zich met ons, hij is de bruidegom en wij de bruid.

En opeens deelt Jezus in ons verhaal zo’n rare sneer uit aan zijn moeder: “Wat wil je van me!” Vroeger stond hier nog: ’vrouw, wat heb ik met u te maken?’ Misschien wordt hier nog het meest duidelijk dat het om de binnenkant gaat. Hij lijkt zich los te maken van zijn moeder, maar Johannes kijkt hier al vooruit naar de kruisiging, daar zal Jezus zijn moeder ook ‘vrouw’ noemen; namelijk als hij tegen de leerling zegt: “Dat is je moeder,” en waar hij tegen Maria zegt: “Vrouw, dat is uw zoon.” Aan de buitenkant lijkt hij met zijn moeder te breken, maar aan de binnenkant breekt hij de verhouding open zodat Maria de moeder van ons allemaal kan worden.

En uiteindelijk wordt er aan de buitenkant de stenen vaten met water gevuld. Maar aan de binnenkant zegt Jezus: “Vul de vaten met water”, kom maar op met alles wat je leven vlak maakt, zonder kleur en geur, zonder smaak. Vul de vaten maar met dat ‘plat water’, met het leven dat je door de vingers glipt, met je zorgen die je als het water tot aan je lippen staan, met al je noden waarin je machteloos en zonder houvast dreigt te verdrinken. “Vul de vaten met water.”

Aan de buitenkant zegt de ceremoniemeester tegen de bruidegom: “U hebt de beste wijn tot nu bewaard,” en aan de binnenkant gaat het om de beste wijn van de levensvreugde, van gezelligheid, om gemeenschap zoals je ’s avonds op de bank bij een glas wijn samen de dag afsluit. Het gaat om genieten, een tikje luxe, overvloed. En om vrolijkheid, uitbundig feest vieren en het goede leven. En als je uit een wijnstreek komt dan gaat je fantasie nog verder met je door: de geur in het hele dorp wanneer in oktober in alle kelders en schuren de druivensap staat te gisten. Het verlangen en de verwachting om rondom kerst voor het eerst de nieuwe jaargang te kunnen proeven. De zon van de zomer, de regen van de jaargetijden en het werk van een heel jaar bij elkaar gebracht in je glas.

Johannes eindigt zijn verhaal met te zeggen: “Dit heeft Jezus gedaan als eerste wonderteken.” En inderdaad, in het Johannesevangelie is dit ook echt het eerste wat Jezus doet: water veranderen in wijn. Dat is het eerste wat Jezus ons van God wil laten zien. En als je goed kijkt dan doet God ook niets anders, alles wat God wil is van water wijn maken. — Een leven niet plat als water, maar sprankelend als wijn.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie