De erfenis: vijf broden en twee vissen (Sacramentsdag)

Lezingen: Genesis 14, 18-20 en Lucas 9, 10-17

Welkom in de Boskapel, in deze agapè-viering, genoemd naar de vriendenmaaltijd van de eerste christenen. We putten hoop en moed uit de verhalen van mensen die ons zijn voorgegaan, van Abraham tot Jezus. Ook zij zochten momenten van rust en bezinning. Ook zij zochten verbondenheid in ontmoeting met anderen, aten en dronken met vrienden en onbekenden. We horen vanmorgen hoe de priester Melchisedek Abraham zegent en daarbij de Allerhoogste zegent. Daarmee wordt Abraham uitgetild boven het alledaagse. Brood en wijn krijgt hij tot zegen aangereikt.

Vandaag viert de kerk Sacramentsdag. De gaven van brood en wijn door Melchisedek gegeven worden op deze dag in verband gebracht met het brood en de wijn in de eucharistie. Bij de evangelist Lucas vindt er ook een maaltijd plaats maar dit gaf aanvankelijk de nodige problemen. En er gebeurde iets hoogst merkwaardigs tijdens het breken van het brood…

Overweging

“Mensen zijn de woorden waarmee God zijn verhaal vertelt.” (E.S.) Verhalen hebben een bijzondere kracht: die wetenschap is heel oud. In de eerste christelijke geloofsgemeenschappen vertelde men elkaar verhalen. Het zijn meesterstukjes van joodse vertelkunst, vol verwijzingen en symbolen ontleend aan het Oude Testament. Geloofservaringen, waarin men zichzelf herkende en in Jezus oude beloften en visioenen in vervulling zag gaan.

In het verhalenrepertoire moet het broodwonder een geliefd thema zijn geweest want het wordt bij alle 4 evangelisten beschreven. Ook dit verhaal vinden we terug in het Oude Testament, waar in het tweede boek Koningen de profeet Elisa twintig gerstebroden aan honderd man voorzet: ze aten en hielden nog over. Bij Elisa was nog sprake van een op vijf, in het Jezus-verhaal worden de getallen nog sprekender: een op duizend.

Toch staat deze wonderlijke gebeurtenis niet centraal en dat blijkt uit de context waarin het verhaal als het ware is ingebed. Er gaat een zending van de twaalf leerlingen aan vooraf. Jezus stuurt hen op pad om te doen zoals hij deed: het rijk Gods verkondigen en zieken genezen: het koninkrijk van God, zo lang beloofd, zo lang naar uitgezien, gebeurt hier en nu.

Intussen groeit de vraag naar de identiteit en betekenis van Jezus. Zelfs Herodes vraagt zich af wie deze man is, die zo’n beweging in gang zet. Na de passage over de maaltijd met de vijfduizend, stelt Jezus een in dit opzicht, belangrijke vraag: “En jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?” Hierop antwoordt Petrus, als een getuigenis van de christelijke geloofsgemeenschap: “de Messias van God”. Hiermee wordt het gehele verhaal afgesloten. Daar gaat het dus om:

In deze mens en zijn volgelingen is God zelf aan het werk. De overvloed van de messiaanse tijd is zichtbaar geworden.

Deze conclusie zou het einde van mijn overweging kunnen zijn.

Maar waarom gebruikt Lukas dit verhaal van het broodwonder om tot deze getuigenis te kunnen komen? Het is een verhaal met een dubbele bodem, een menselijk verhaal, een mensenverhaal als verhaal van God: Aan het einde van een lange dag zijn de leerlingen moe, ze hebben het wel gehad met al die mensen. Maar ze maken zich ook zorgen. Uitgerekend hier,op deze plek Betsaida, dat betekent: huis van voedsel, hebben ze niets meer te bieden. “Stuur ze weg” zeggen ze tegen Jezus, “dit is een afgelegen plaats, laat ze naar de omringende dorpen gaan om daar te overnachten en op zoek te gaan naar eten.”

Dat herken ik. Dat heb ik ook wel eens, dat mensen en situaties zo eenzaam en donker op mij afkomen dat ik ze uit de weg wil gaan uit angst het niet meer aan te kunnen, niet genoeg in mijn mars te hebben. Herkent U dat ook? Je weet dat je buurvrouw een heel slecht bericht heeft gekregen en je stelt het alsmaar uit om er naar te vragen en je meeleven te tonen. Wat moet je toch zeggen? Een totaal onverwacht sterfgeval in je kennissenkring, je stelt een bezoekje alsmaar uit. Je hebt de neiging om, als de leerlingen, de ander het bos in te sturen omdat je bang bent voor het donker of je ondeskundig voelt.

Maar is dit zo? Waar het om gaat is dat er een direct appel op mij wordt gedaan. Die ander komt mij vragen om brood. Hij stelt die vraag dwars door mijn angst heen,mijn angst niet genoeg in mijn mars te hebben om te helpen.

Jezus laat zich niet leiden door de angst te kort te schieten. Hij heeft medelijden, wordt bewogen door de zieken onder de menigte, door de verwachtingsvolle blikken. Natuurlijk, de mensen moeten weer naar huis, maar niemand mag weggaan zonder eten, zonder brood voor onderweg. Die tocht, de weg door het leven is al moeilijk genoeg. Je moet je goed voorbereiden. Leeftocht voor onderweg, daar kwamen ze met z’n allen toch voor: om het rijk van God te ervaren, om zich geaccepteerd te weten, om te horen over gelijke rechten voor iedereen.

In het gezelschap van Jezus voelden mensen een volheid van leven op een wijze die hun dagelijkse ervaringen onmetelijk oversteeg. In die context zijn die wonderdaden teken van een geheelde wereld, waar overvloed is voor iedereen. “Handelen zoals Jezus doet is praxis van het rijk van God: heil voor mensen.”(E.S.) Het besef groeit langzaam maar zeker: in deze profeet is het aangezicht van God verschenen.

“Geef hen te eten,” zegt hij tegen de twaalf.

“We hebben maar vijf broden en twee vissen.” Onbegonnen werk, niet te doen.

In groepen van vijftig moeten ze gaan zitten, evenals het volk in de woestijn destijds. Vijf broden, zoals de vijf boeken van Mozes. Twee vissen, zoals de twee stenen platen waarop het Verbond geschreven staat. Oude beelden komen tot leven: manna in de woestijn, brood en wijn door Melchisedek aangeboden aan Abraham. Samen maaltijd vieren als versterking voor onderweg. Vijf broden, twee vissen. “Breng ze maar hier,” en Jezus spreekt naar oude joodse gewoonte, de zegen uit, breekt het weinige brood en reikt het zijn sceptische leerlingen aan om het verder te geven. Hij buigt daarmee hun vermoeidheid en moedeloosheid om en maakt hen tot zijn medewerkers. Er zijn heel wat situaties denkbaar in ons leven, in ons werk waarbij je denkt: dit is te veel, dit kan ik niet aan. Vijf broden, twee vissen, dat is de erfenis.

Geef mij wat je hebt, zegt Jezus. Het is misschien,ogenschijnlijk, niet veel wat je te bieden hebt, maar: je hoeft niet geleerd te zijn om verdriet te begrijpen; je hoeft geen sociale academie gevolgd te hebben voor een goed gesprek. Je hebt alles wat je bent, hier ben ik met mijn erfenis voor een heel mensenleven. Het is meer dan genoeg om uit te delen. Geef wie je bent, geef wat je hebt aan talenten en mogelijkheden, als een dwaze profeet die zaait in de wind niet wetend of het zaad ooit wortel schiet.

Maar blijf geloven in het duizendvoudig effect. Je bent een mens als verhaal van God.

Inspiratiebronnen:
E. Schillebeeckx: Mensen als verhaal van God
Materialen van de stichting Midden onder U.

Maria Schröder

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie