Wat zal er worden van dit kind

Lezingen: Jesaja 49,1-6 (Vanaf de moederschoot) en Lucas 1,57-66.80 (Johannes zal hij heten)

“Het kerstfeest van de zomer,” zo wordt deze dag, 24 juni, weleens genoemd. Zes maanden vóór de geboorte van Jezus vieren we vandaag de geboorte van zijn voorloper, Johannes. De geboorteverhalen van Johannes en van Jezus zijn met elkaar verweven. Samen ontspannen zij de jaarkring. De één wordt geboren op als de zon op haar hoogtepunt staat, de ander als de dagen het donkerst zijn. De een wordt geroepen om te getuigen van het komend licht; de ander stelt in woord en daad het licht present. “Feest van de Zonnewende,” zo wordt deze dag ook weleens genoemd. Moge het Licht dat ons is verschenen ons leven ten goede wenden!

Overweging

Als ik weleens op bezoek ga bij jonge ouders, ter voorbereiding van de doop van hun kind, dan zie ik daar aan een koord van muur tot muur al die feestelijke kaartjes hangen met goede wensen. Iedereen hoopt dat hun pasgeboren kind gelukkig zal worden. We spreken onze hoop uit, want de toekomst van een mens is natuurlijk niet te voorspellen. Daarom denk je ook weleens als je bij zo’n wiegje staat: “Wat zal er van dit kindje worden?”

We kennen de verhalen van de krantenjongen die miljonair werd, maar ook over de welgestelde en goed-opgevoede mensen die terugvallen in armoede.

“Wat zal er worden van dit kind?” Dat werd ook gezegd bij de geboorte van Johannes. De omstandigheden rond zijn geboorte waren er ook naar om zich dat af te vragen. Elisabeth was eigenlijk al te oud om nog kinderen te krijgen, zijn vader Zacharias werd dan ook letterlijk met stomheid geslagen toen hij hoorde dat zijn vrouw een kind verwachtte. Hij gaf hem daarom een naam die niet binnen de familie-traditie paste: “Johannes”, dit is “geschenk uit de hemel”, “godsgeschenk”.

Ja, wat zou er van dít kind gaan worden? Wij weten het uit de Bijbelse geschiedenis. Van de ene kant liep het niet goed af met hem: hij werd een zonderling, verbleef als jongeman al in de woestijn om een ascetisch leven te leiden. Zo werd hij een profeet die dingen scherp kon zeggen en op die manier kweekte hij ook vijanden. Uiteindelijk kwam hij in de gevangenis en dat betekende zijn dood. Want op voorspraak van een jaloerse vrouw werd hij onthoofd. Van de andere kant wordt hij door Jezus de grootste der profeten genoemd, die mensen tot een doopsel van bekering opriep; vandaar zijn bijnaam: Johannes de Doper.

Mensen bekeren, mensen op andere gedachten brengen, het wordt weleens “een heidens karwei” genoemd, omdat het haast onmogelijk is om afwijkend gedrag van mensen ten goede te veranderen. Verkeerde overtuigingen zitten soms zo diep verankerd in ons weten, dat iemand anders dat niet zomaar kan veranderen. Daarom stond Johannes voor een moeilijke taak.
Om zijn doel te bereiken slaat hij ferme taal uit. Jesaia zegt het zo: “Hij heeft mijn mond tot een snedig zwaard gemaakt.”

Meestal houden we niet van mensen die scherp van tong zijn, zeker niet als ze ons de les willen lezen. Maar toch: als bij iemand of als in een land of in onze kerk dingen de verkeerde kant opgaan, dan zijn we blij als er mensen zijn die dat aan de kaak durven te stellen. Of het nu een politicus is of een cabaretier, een bisschop of iemand van de straat, afwijkingen, onrecht en hypocrisie moeten benoemd worden. Ook al houden we er niet van dat onze fouten worden aangewezen, houden machthebbers niet van kritiek en claimen ze de waarheid, iemand moet zijn nek uitsteken, en mág dat ook!

De profeten Jesaia en Johannes voelen zich in hun roep om rechtvaardigheid dan ook gesteund door God. Het is een heilige drift die voortkomt uit het geloof dat de rechtvaardigheid van God zich in ieders hart kan nestelen. Zacharias staat in het verhaal van vandaag even symbool voor de mens die Gods plannen níet dult. Zijn mond wordt gesloten…

Maar hoe gaat dat bij ons in zijn werk? Hebben wij de goede maat gevonden om te weten wanneer we moeten spreken en wanneer we beter kunnen zwijgen? Wie snoert ons de mond als we haat en achterdocht verspreiden en wie geeft ons de moed om onze mond open te doen wanneer we onrecht en verkeerd gedrag zien gebeuren? Degenen die dat durven, worden voortaan “klokkenluiders” genoemd.

Om dat toe te passen op het kind waarmee we begonnen zijn: als kinderen mishandeld of misbruikt worden, is er in het verleden veel te vaak gezwegen, met alle ziekmakende gevolgen van dien.
Juist ook voor betrokkenen of getuigen is het op zo’n moment moeilijk je mond te gebruiken als een ‘snedig zwaard’.

“Wat zal er worden van dit kind?” Het is niet alleen een vraag. Het is vooral ook een opdracht voor allen die verantwoordelijkheid dragen om te zorgen dat kinderen beschermd worden, veilig kunnen opgroeien en aan volwassenen kunnen zien hoe gerechtigheid en goed leven in zijn werk gaat.
Dan kunnen de goede wensen die over het kind-in-de-wieg worden uitgesproken ook waarheid worden.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *