Leven vanuit de Bron

Lezingen: Marcus 6, 30-34

Soms kun je het als mens zo nodig hebben: eens even op verhaal komen na een intensieve periode, na een bericht dat je diep raakte, na een crisis in je leven, na een gebeurtenis die je leven tijdelijk op z’n kop zette. Je hebt behoefte aan rust en aan een mens die je begrijpt en die je kan raken in je diepste kern: je ziel. Wie doordraaft, de stilte schuwt, het gesprek met zichzelf uit de weg gaat, heeft op den duur de mensen die komen en gaan, ook niets meer te bieden. Andere mensen kunnen een bron van inspiratie zijn, een ontmoeting kan je leven veranderen. Dit vraagt om verdieping, om bezinning, want het doet iets met jezelf. Je hebt tijd nodig om dit door je heen te laten gaan. Er is een constant spanningsveld tussen activiteit en meditatie.

In het evangelie wordt deze situatie herkenbaar in een gewoon menselijk verhaal over Jezus en zijn apostelen. De actieve kant wordt uitgebeeld door de apostelen. Ze komen terug van hun drukke werkzaamheden en hun intensieve leergesprekken met mensen en ze vertellen daarover aan Jezus. Ze zijn er vol van en ze zijn er moe van.

Dat is herkenbaar. Goed luisteren naar de ander, luisteren met je hart en met je ogen, vraagt veel van jezelf. Op die wijze kun je genezend bezig zijn. In jouw antwoord kan de goedheid en ontferming van de Eeuwige doorklinken.

Aan het einde van het evangelie komt die actieve kant weer in beeld: wanneer Jezus geen weerstand kan bieden aan het volk dat uit alle richtingen voor hem toegestroomd was. Hij ziet hoe ze ronddolen zonder herder. Het raakt hem diep, zoals in de grondtekst staat: “het raakt hem tot in zijn ingewanden.”

Juist het contact met die mensen raakt hem tot in het diepst van zijn ziel. Hier ligt de roeping van Jezus en de mensen bevestigen hem hierin. Hij geeft toe aan hun vragen, aan hun verlangen, en onderricht hen langdurig. Dit is de kern van ieder leergesprek en van iedere zorg: compassie, vertederd worden, zacht worden. In ons wordt daarmee de bewogenheid om de ander zichtbaar: goddelijke barmhartigheid. Het is de zwakke en de zachte kant in onze God.

Dit is onze naar buiten gerichte kant:we voelen de zorgen van de ander en verstaan zijn vragen. Op zulke momenten breekt het rijk van God even door in een harde verzakelijkte wereld. De andere kant, die naar binnen is gericht, is voor ons even belangrijk. Daarover gaat het middengedeelte van het evangelie: “Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en uit te rusten.”

Een eenzame plaats is een plaats zonder de ander.

In die eenzaamheid blijft de ander echter wel spreken: bewogenheid laat zich niet zomaar uitbannen. Je komt tot bezinning op al je activiteiten. Wat beweegt de ander? En wat heeft deze ontmoeting met mij gedaan? Je hebt even afstand nodig. Terugkeren naar je diepste kern, je ziel en tot rust komen. Geen dagelijkse beslommeringen, even niet hoeven te zorgen, geen lessen of vergaderingen voorbereiden, geen verpleging, geen bureau vol opdrachten, geen e-mailbox, geen schoonmaakwerk, geen afspraken. Terugkeren naar je eigen diepe bron die dreigde op te drogen omdat je alsmaar gegeven hebt.

Er hoeft niets, er wil niets: rust uit. Op deze eenzame plaats sta je open om te ontvangen Je geeft God de ruimte om tot je te spreken. Want de Eeuwige is er altijd. De bron kan langzaam vollopen. Juist de vakantietijd kan mogelijkheden bieden om eens alleen te zijn. Het is genade als je de Eeuwige zo mag ervaren in de stilte van je gedachten — in de leegte — in je eigen binnenste — in je ziel.

Je wordt opnieuw geboren, je krijgt nieuwe levensadem ingeblazen. Je ervaart dat je mag gaan met God. Je mag je veilig voelen. Uiteindelijk zal het je aan niets ontbreken. In je activiteiten van de alledag, daarna, zal de rust van de stilte en de stem van de Eeuwige nog lang doorklinken.

Inspiratiebronnen:
Kees Waaijman, gedachten bij Mc. 6, 30-34;
Liturgiekatern van de stichting Midden onder U.

Maria Schröder

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie