Kerstliederen in de zomer

Lezing: Johannes 6, 1-15

Het was een rare gewaarwording, maar van de week op een prachtige zwoele zomeravond zaten we met een klein groepje bij elkaar om alvast kerstliederen uit te zoeken. Ja, u hoort het goed: kerstliederen! Vanaf september begint namelijk de koorschool en als je toch noten moet leren lezen of een ritme moet leren herkennen dan kan je dat net zo goed aan de hand van liederen doen die je binnen kort nodig hebt. — Dus met een afvaardiging van beide koren, de mussen vielen van het dak, zaten we hartje zomer met elkaar kerstliederen te zingen.

Wat daarbij opviel was dat teksten toch vaak wat al te zoetsappig blijken te zijn, op het kinderlijke af en zwaar romantisch. En het bleek dat teksten die er rond de kersttijd bij ons ingaan als zoete koek, in de zomer niet echt willen smaken. Wat vindt u bijvoorbeeld van “holder Knabe in lockigem Haar, schlaf in himmlischer Ruh”. Dat is gelukkig niet te vertalen, maar ik vond wel een Nederlandse hertaling die net zo druipt van sentiment: “Lieflijk kindje met goud in het haar, sluimert in hemelse rust”. — Met kerst is dat prima te doen, u zult het dit jaar weer zien, maar op een zwoele zomeravond wil het er niet in.

Zo struikelden we ook over een ander lied, namelijk “Hark, the herald angels sing” of “Hoort, de eng’len zingen d’eer”. In het Engels merk je het niet zo, maar in de Nederlandse vertaling blijkt het toch heel erg over zonde en vergeving te gaan, over de offerdood van Jezus, en nu komt het: opdat “wij ongerept en rein / nieuwgeboren zouden zijn.”

Hier vielen we niet over de zoetsappige romantiek, want die is er ook niet. Maar hier vielen we over dat we “nieuwgeboren zóuden zijn”. Dat “zouden”, dat stoorde ons. Het plaatste namelijk het hele kerstverhaal op een afstand. We “zouden” nieuwgeboren zijn, maar we “zijn” het blijkbaar niet, of het is wel de bedoeling, maar we bereiken het toch niet. — Waarom toch deze afstand? Als God mens wordt, betekent dat dan niet dat hij ook in ons mens wil worden?

Hoe serieus neem je dat God mens wordt, en hoe serieus neem je dat hij ook in jou mens wordt? Ik vertel dat allemaal om dat de evangelist Johannes nooit op het idee zou komen om over een afstand tussen God en mens te praten. En dat doet hij hier ook niet. Zelfs niet bij een wonderverhaal zoals de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. We zijn het misschien gewend om bij wonderen te denken dat Jezus wel wonderen kan verrichten en wij dus niet. Maar in het Johannesevangelie ligt dat net iets anders.

Je kan natuurlijk wonderen vertellen omdat je met open mond staat te kijken naar hoe groot God toch is, maar Johannes vertelt dat jijzelf ook deelhebt aan deze grootsheid. En dat is misschien wel een veel groter wonder.

De andere drie evangelisten vertellen ook het verhaal van de vijf broden en twee vissen, maar bij Johannes struikel je opeens over een detail wat de andere evangelisten niet noemen. Opeens staat hier namelijk: “Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen.” In de andere evangelies hebben de leerlingen het brood en de vissen bij zich, of brood en vis zijn er gewoon. Maar hier is het een kleine jongen die vijf broden en twee vissen in zijn knapzak heeft.

Je zal die jongen maar zijn. Als je een jaar of 13 bent, dan heb je al dat brood en die vissen zelf hard nodig om de dag door te komen. Je zal toch die jongen maar zijn, en opeens zie je jezelf met je dagrantsoen liefst vijfduizend mensen voeden. Je zal toch die jongen maar zijn; het zal je maar gebeuren.

Natuurlijk gaat het verhaal dan verder zoals we het kennen. Jezus spreekt het dankgebed uit en verdeelt het brood en de vissen onder de mensen. Aan het eind vraagt hij de leerlingen om de restjes in te zamelen, en zij vullen er twaalf manden mee.

De leerlingen staan met open mond naar dit godswonder te kijken, en de mensen kijken vol verwondering naar Jezus, dit moet wel de messias zijn. Deze mens is God zelf. — Zij kijken vanaf een afstand. Maar die jongen, die kijkt niet vanaf een afstand, hij heeft het zelf erváren. Alle anderen kijken vanaf een afstand naar de grootheid van God, maar die jongen maakt deel uit van die grootheid. De anderen staan op afstand, maar die jongen staat er middenin. Vanaf het moment dat hij zijn knapzak open deed was hijzelf een beetje messias. Toen hij zijn broden en vissen tevoorschijn haalde, was hijzelf een beetje God.

Dat is wat Johannes telkens weer wil vertellen. Houd God niet op een afstand. En laat je al helemaal niet ontmoedigen door de grote wonderen die Jezus verricht. Maar kijk vooral naar het wonder wanneer jijzelf voor de ander als God kunt zijn. Doe je knapzak maar open, en als je dan denkt dat dat beetje brood en vis van je toch geen zoden aan de dijk zet, haal het dan toch maar tevoorschijn.

Misschien was het toch niet zo gek om afgelopen week, midden in de zomer met kerstliederen bezig te zijn. Want dat God mens wordt, en dat hij ook in jou en mij mens wordt — dat gaat het hele jaar door.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie