In de woestijn

Lezingen: Genesis 9,8-17 en Marcus 1,12-15

Een groet aan het begin van een nieuwe periode: de veertigdagen — op weg naar Pasen. Welkom u allen, tochtgenoten op deze weg. Het is een beeld van ons leven, die tocht van veertig dagen, van veertig jaar woestijn. Want net als het volk Israël veel beproevingen moest doorstaan tijdens die barre woestijntocht, zo kent ook ons leven de nodige wendingen, waardoor het lijkt dat we onze bestemming alsmaar niet bereiken. Als metafoor voor ons levenspad kwamen we dit jaar uit bij het labyrint.

Overweging

Jan Wolkers: die naam kennen we allemaal. Opgevoed in een streng gereformeerd gezin, maakte hij zich in zijn jonge jaren los van dat geloof. Dat wil niet zeggen dat hij a-religieus werd. Daarvan getuigt bijvoorbeeld zijn boek Wegens sterfgeval gesloten, uit 1966. Misschien heeft het nog op je literatuurlijst van de Middelbare School gestaan. Eigenlijk is het een eenakter, destijds opgevoerd door het Nieuw Rotterdams Gezelschap. Er wordt in geschetst hoe God spijt kreeg dat Hij de mensen indertijd gered had. Zo egoïstisch waren ze weer geworden en op geld belust. De aarde vervuild en ontbost en daardoor weer woest en leeg geworden; een troosteloos beeld. Dan verplaatst het toneel zich naar de hemel. Daar zit God, niet als een strenge heerser, en dat is dan nieuw bij Wolkers, maar als een vriendelijke oude heer die met een aapje speelt dat op zijn knieën zit. Zijn blik staat op oneindig, maar zijn verstand niet op nul. Je ziet hoe Hij nadenkt over hoe het nu verder moet. Dan lopen daar twee engelen en ze kijken naar de toorn van God. De ene engel zegt tegen de andere: “Zie jij ook wat ik zie?” “Ja, ik zie ook wat jij ziet.” “En denk jij ook wat ik denk?” “Ja, ik ben bang van wel.” Dan streelt God het aapje over de ribben en besluit tot een nieuwe evolutie. De engelen raken in paniek. De ene zegt: “Maar dat kan toch niet! Hij wil opnieuw beginnen. Hij zou toch moeten weten dat het op den duur altijd weer fout loopt. Dat kan Hij toch niet maken?” En de andere: “Dat is nou precies het verschil tussen Hem en ons. Want hij verliest de hoop nooit. Hij blijft altijd geloven in de mensen; Hij durft altijd weer opnieuw te beginnen.”

Is dit verhaal van Wolkers niet een moderne versie van de eerste lezing van vandaag: over Noach en zijn ark? Van deze mens staat geschreven dat hij wandelde met God. Hij liet zich niet overspoelen door wat voor de hand ligt en op het eerste gezicht gelukkig maakt. Wanneer iemand alleen maar zijn eigen verlangens nastreeft wordt het leven een chaos die mensen meesleurt en de schepping verwoest. Maar God zou God niet zijn, als hij het niet steeds opnieuw probeerde. Hij heeft niet meer nodig dan één rechtvaardige, met zijn gezin, en een schip vol dieren om een nieuwe evolutie op gang te brengen.

Zijn woede duurt maar een tel, zijn trouw tot het 1000e geslacht. Als een vers keert dat terug in psalmen en verhalen: dat God lankmoedig is, rijk aan liefde en trouw tot het 1000e geslacht. De regenboog is daarvan het teken.

Daarentegen is het een constante bekoring van mensen om af te haken, de moed op te geven. Jezus’ verblijf in de woestijn verbeeldt dat. Die plek herinnert aan de tijd dat Gods volk door de woestijn moest zwerven, na hun bevrijding uit Egypte. Die bevrijding liep niet meteen uit op wonen in het beloofde land. De nieuwe vrijheid moest eerst waargemaakt en beproefd worden. Veertig jaar duurde dat, een generatie lang. Dat rijmt met Jezus ’40 dagen en nachten in de woestijn’. Ontdaan van alle franje en comfort werd Hij daar teruggeworpen op zichzelf en door satan beproefd op wat hij waard was. Satan: dat zijn al die krachten in de mens die hem willen afbrengen van waar het uiteindelijk om gaat, en daar ontkwam ook Jezus niet aan. Niet alleen in de woestijn, maar ook bij andere gelegenheden hoort Hij zeggen: “Vergeet die mooie jeugddromen toch, vergeet de idealen die je hebt meegekregen. Vergeet het, want de wereld is niet zo en de mensen zijn in de grond onbetrouwbaar. Zorg dat je er zelf wél bij vaart, dat het jou goed gaat, meer is er in deze wereld niet te vinden.” Maar telkens als Satan probeert het vertrouwen uit zijn hart weg te halen, gaat Jezus dóór en blijft vertrouwen in de mens; blijft Gods woord toegedaan; blijft geloven in zijn zending en zo is hij geworden: de aller-geloofwaardigste mens, die net als God nooit opgaf.

En wij? Ook wij mogen wonen en leven onder de regenboog van Gods trouw. Ook wij hebben daarmee een stukje verantwoordelijkheid gekregen voor ons eigen leven, voor het leven van elkaar, voor het leven van de aarde. Maar ook wij worden beproefd om die verantwoordelijkheid op te geven. Het is de beproeving om alleen maar je eigen verlangens na te streven, zoiets als “ieder voor zich en God voor ons allen”.

Het zou goed zijn als we in deze veertigdagentijd de keuzes die we maken weer eens zouden toetsen aan de verantwoordelijkheid die we gekregen hebben; bijvoorbeeld:

  • Durf je te blijven vertrouwen dat jouw taak als ouder, als opvoeder toch afgemaakt kan worden? Hoe moeilijk dat soms ook is?
  • Durf je het lot dat jou overkomen is, op je te nemen, zodat het lot niet jou neemt en je er onder krijgt?

Kortom: Durven we de keuze te maken voor toekomst en vertrouwen in onszelf, in elkaar en in de God die zich met ons verbond?

Heel deze veertigdagentijd is een oproep om uit de Satan-cirkel te breken en in het labyrint te gaan staan, en mee te bewegen naar de glanzende kern, naar het licht van Pasen.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie