Ik ben maar veeboer en vijgenteler

Lezingen: Amos 7, 12-15 en Marcus 6, 6-13 (De uitzending van de 12)

“Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler. Maar de Heer heeft mij van achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de Heer die tegen me heeft gezegd: ‘Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.’ ” dit zegt Amos tegen de hogepriester. Die stuurt hem namelijk namens de koning het land uit. Ga maar naar Judea, voordat je onze eigen mensen hier nog meer ophitst.

En Amos verdedigt zich door te zeggen, dat het God hoogstpersoonlijk was die hem geroepen heeft om juist hier, bij de Israëlieten te profeteren. Maar voor ons is veel interessanter dat Amos daarbij nog veel meer vertelt over het profetenambt zelf. Hij zegt: ik ben maar achter mijn schapen vandaan gehaald. Ik ben helemaal geen profeet, in eerste instantie ben ik veeboer en vijgenteler.

En naar mijn idee is dat precies wat Jezus ook bedoelt als hij zijn leerlingen uitzendt: Ga op weg, neem niets mee, geen brood, geen reistas, geen geld, geen verschoninkje. En “als jullie ergens onderdak krijgen, moet je daar blijven tot je verder reist.” Met andere woorden: wees wie jezelf bent en leef het leven van waar je te gast bent.

In goed Nederlands zou je kunnen zeggen: doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. En het doet heel erg denken aan de pragmatische nuchterheid van missiepaters en missiezusters. Voor hen is niets menselijks vreemd, en ze hebben al lang begrepen dat het uitdragen van het evangelie niets, maar ook werkelijk niets te maken heeft met verhevenheid. Je woont in dezelfde sloppenwijk, je eet wat de anderen ook eten, en soms eet je ook niets, en verder ben je gewoon de mens die je nu eenmaal bent, met je eigenaardigheden en met je geloof. Het missiewerk bestaat in eerste instantie daaruit dat je gewoon mens bent onder de mensen.

Intussen zijn we hier ook een missieland geworden, en je hoort dan ook vaak dat we meer “missionair kerk” moeten zijn. Anders doen we over een paar jaar het licht uit. De protestantse kerk heeft daarvoor zelfs mensen in dienst genomen die hele programma’s op touw zetten; daar zitten trouwens hele goede ideeën bij. En onze katholieke kerk is ertoe overgegaan om de boel in te pakken en veilig op te bergen tot dat er misschien weer vraag naar is.

Maar allebei trappen daarbij in dezelfde valkuil. Ik heb het idee dat achter beide benaderingen toch de gedachte schuil gaat dat het evangelie of God als iets gezien wordt wat ergens buiten de mensen bestaat. De protestantse aanpak kiest er dan voor om God en de boodschap van buitenaf weer naar de mensen toe te brengen. En de katholieke aanpak gaat ervan uit dat de mensen ooit weer naar God terug moeten keren. — God staat buiten de mensen, en in het ene geval moet hij naar mensen toe gebracht worden en in het andere geval moeten de mensen naar God gebracht worden.

Maar in ons evangelie gebeurt iets heel anders: de leerlingen nemen juist niets mee. Je hebt God niet in je broekzak zitten en je hebt de waarheid ook niet in je reistas. Dus zij brengen ook niet God naar de mensen. En andersom slepen zij ook niet de mensen naar God. Integendeel, Jezus geeft hen nog mee: “als jullie daar onderdak krijgen, moet je daar blijven.”

Voor Jezus staat God juist niet buiten de mensen, integendeel, later zullen de christenen tot op de dag van vandaag belijden dat God in Jezus mens geworden is. Daarom stuurt hij zijn leerlingen gewoon naar de mensen toe. Niet om God naar de mensen te brengen en ook niet om de mensen naar God te brengen. Maar hij stuurt hen naar de mensen toe om te laten zien dat God er al is.

Ik denk dat ons evangelie van vanochtend een van de vindplaatsen is waar Augustinus zijn uitspraak op stoelt: “Keer terug naar je hart en zie daar wat je moet denken over God aangezien je daar het beeld van God vindt.” En in zijn belijdenissen schrijft hij ook hoe hij God alsmaar buiten aan het zoeken was, terwijl God bij wijze van spreken direct voor zijn neus stond.

De leerlingen gaan dus naar de mensen toe, want daar vind je God. En hoe ze dat moeten doen, dat staat er in een klein bijzinnetje, namelijk: hij “gaf hun macht over de onreine geesten.” Het wordt er zo terloops mogelijk genoemd want ook hierbij gaat het niet om bovenmenselijke tovertrucjes. Misschien zijn de onreine geesten namelijk niet meer dan dat je bijvoorbeeld te gering over jezelf denkt. Misschien denk je dat jouw schaduwkanten te groot zijn en jouw licht te klein. Misschien heb je het idee dat je met je tekortkomingen toch onmogelijk beeld en gelijkenis van God kunt zijn. — Dan heb je last van een onreine geest. Schud die geest dan maar van je af als het stof van je voeten en “zie daar,” om met Augustinus te spreken, “zie daar, dat je daar het beeld van God vindt.”

Misschien denk je: ik ben maar gewoon veeboer en vijgenteler. Of je denkt: wie ben ik? Ik ben maar Ekkehard, of hoe je ook heet. Ik loop maar achter mijn schapen aan als schoonmaker of als onderwijzer of wat je ook doet of gedaan hebt. Ik ben slechts moeder of vader, opa of oma, medeboskapeller of gewoon maar toevallig vanochtend hier. — Maar dan ben je, net als Amos, juist gekwalificeerd om “profeet”, dus beeld van God te zijn.

“Ik ben maar veeboer en vijgenteler,” ik ben maar wie ik ben, ik ben maar zoals ik er hier vanochtend bij zit. Dan ben je dus iemand die zomaar achter “je schapen” vandaan gehaald kan worden.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie