Heilige familie

Lezingen: 1 Samuel 1, 20-28 en Lucas 2, 41-52

Op deze laatste zondag van het jaar zijn we misschien nog niet helemaal toe aan het oudejaarsgevoel. Misschien moeten we nog door wat oudejaarsstress heen, maar de liturgische kalender trekt zich daar allemaal niets van aan en zegt dat we vandaag het feest vieren van de Heilige Familie. We lezen het verhaal van de twaalfjarige Jezus in de tempel. Maar is dat verhaal met die eigenwijze Jezus eigenlijk wel een verhaal over een harmonieuze Heilige Familie? Want Lucas geeft die zelfproclamatie van Jezus een belangrijke plaats in zijn evangelie. We hebben al vele wonderlijke woorden over het kind Jezus gehoord. Woorden om te overdenken. En nu neemt Jezus zelf het woord om duidelijk te maken wie en wat hij is: niet in eerste instantie een kind van een aardse vader en moeder, maar een kind van de hemelse Vader, zoals David, zoals Israël zelf kind van God genoemd zijn, hiervoor, in het Lucasevangelie. Jezus zegt dat hij iemand is die thuishoort in het huis van God, of zoals je het ook en misschien duidelijker zou kunnen vertalen: die zich bezighoudt met de zaken van God. Een knallende presentatie. Donderslagen met Oudjaar.

Overweging

Op zijn twaalfde gaat Jezus met zijn ouders naar Jeruzalem, op pelgrimstocht naar de tempel, voor het Joodse paasfeest, het Pesach-feest. Hij kan best al eerder zijn meegegaan, maar dit verhaal speelt zich af als hij twaalf is. Hoe oud is twaalf? Soms hoor je dat een joodse jongen dan volwassen is of als volwassen wordt beschouwd. Vroeger werden kinderen inderdaad eerder als volwassen beschouwd. Maar als we dit verhaal tot ons door laten dringen, is Jezus nog niet “volwassen”.

En dan is Jezus nog klein genoeg om je zorgen te maken als blijkt dat hij zich helemaal niet bij het reisgezelschap bevindt. Dan maak je je zorgen om een klein kind in een grote stad, afgeleid, afgedwaald, verloren. Je zou meteen terug willen gaan, maar je hebt een hele dag gereisd, het is avond, dat kan niet. De volgende dag reis je terug, de tweede dag.

Op de derde dag vinden ze Jezus. Bij die leraren waar zoveel te horen is over God en over onszelf. De omstanders zijn buitengewoon verbaasd over zijn begrip, als een spons zuigt hij alles op. Zijn ouders zijn niet verbaasd, ze zijn verpletterd. Hun pijn wordt bijna een verwijt. Wat herkenbaar. Maar daardoor kunnen ze niet goed meer kijken. Dan stellen ze de verkeerde vraag. “Waarom heb je ons pijn gedaan?” Jezus antwoord komt hard aan, zoals antwoorden van kinderen hard aan kunnen komen: “Wisten jullie dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Ze snappen niet wat hij zegt. Ze kunnen het niet opnemen. Maar ze vergeten het ook niet. Ze gaan terug naar huis; er lijkt niets meer aan de hand. Maar zijn moeder onthoudt wat er gebeurt is. Ze blijft er mee bezig, net als met die andere dingen die ze heeft onthouden. Ze blijft omkijken om beter te kunnen begrijpen wat er gebeurd is.

Maar spreken die woorden misschien niet ook heel anders tot ons? Niet zozeer als een proclamatie van wie, van wat Jezus is. Dat staat daar zo groot en onaantastbaar. Maar meer als een stap in een groeiproces. Een kind van twaalf kan gegrepen worden door iets en ervoor kiezen, nog zonder te weten wat het allemaal inhoudt. Maar het kan zijn of haar leven bepalen en later, als je terugkijkt, zie je dat het eigenlijk al zichtbaar was, toen, toen het twaalf was. Al kun je pas aan het einde van het leven de volheid ervan zien. Als we het zo bezien, worden die woorden van Jezus ook een stap in een loslatingsproces voor de ouders. Jezus kiest zijn eigen richting. Juist op het moment dat zijn ouders hem terugvinden, klinken de woorden die zeggen dat ze hem spoedig echt kwijt zullen raken. Ook dat kan hard aankomen. Hij zal zijn eigen plek zoeken in de wereld, niet meer in Nazareth. Een eigen thuis, het huis van God. Dat kun je alleen maar zien gebeuren als je meegroeit. Als je de woorden opslaat in je hart en er voor open blijft staan.

Eigenlijk is een cruciaal onderdeel van Jezus’ identiteit de manier waarop je naar hem kijkt. Als je niet in hem gelooft, zie je iemand die misschien bewonderenswaardig was, maar niet veel meer dan dat. Als je in hem gelooft en met hem meeleeft, het hele verhaal van zijn leven door, dan zie je het kind van onze Vader, bezig met de dingen van onze Vader.

Dat vraagt om een bepaalde manier van terugkijken. Je kunt terugkijken op het verleden, op het afgelopen jaar, en daarin blijven hangen. Het zou jammer zijn als dat het geval was. Je kunt terugkijken op het verleden en open staan voor wat nog komen gaat. Dat kan zijn zoals in het geval van de ouders van Jezus, dat er dingen gebeuren die je niet begrijpt maar die later tot klaarheid kunnen komen. Maar er zijn misschien ook dingen gebeurd die niet tot klaarheid kunnen komen. Of alleen indirect. Het verlies van een geliefde op zich zal zich niet ten goede keren. De tragiek van zo’n verlies is dat het, aan deze zijde van de dood, onherstelbaar, onveranderbaar is. De hevigheid van de pijn kan je er wel aan herinneren hoe dierbaar de ander was. En de herinnering aan die liefde kan je weer open maken voor nieuwe ervaringen. Zo keert misschien niet de gebeurtenis zelf ten goede, maar wel wijzelf, die achterbleven.

En zo kijken we terug, vol onbegrip of met een aarzelend begrip, op alles wat ons overkomen is. Met het ene kunnen we meegroeien. Over het andere kunnen we heengroeien. Als we maar een open oog houden voor wat was en komen zal, maar nog niet zichtbaar is. Als we elkaar maar bemoedigen om zo in het leven te staan.

Dan worden we misschien ook net als de profeten van het adventsschilderij, mensen die open staan voor wat nog niet te zien was, open staan voor wat misschien te zien zal zijn, onzeker, toch vol vertrouwen, samen op weg, naar de toekomst van God.

Waarom heeft het feest van de Heilige Familie juist deze lezing? Omdat Jezus zo bijzonder was en het gezin zo harmonieus samenleefde (“hij was hun voortaan gehoorzaam”)? Dat zou goed kunnen. Maar het is misschien belangrijker om te zien dat dit een gezin is dat open staat voor inspiratie, ook als die pijn doet. Een gezin dat samen op weg blijft gaan, met elkaar mee blijft groeien. Als wij met elkaar mee blijven groeien, als gemeenschap, worden wij misschien ook zo’n heilige familie. Als wij met dat gezin mee blijven groeien, worden wij misschien ook leden van die heilige familie, broeders en zusters van Christus. In de woorden van Christus: “Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder.”

Moge het zo zijn, op weg naar het nieuwe jaar.

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie