Geloven in de kleine daad

Lezingen: Ezechiel 17, 22-24 en Marcus 4, 30-34

Vrede en alle goeds mag ik u toewensen aan het begin van deze viering. We onttrekken ons even uit de haast van alledag en zoeken naar verdieping van ons leven. Die verdieping wordt ons vandaag aangeboden in de parabel van het mosterdzaadje. Heel klein, maar er kan een grote struik uitgroeien. Zo kan ook uit ons geloven en samen vieren hier iets groeien dat de moeite waard is. Kleine daden van goedheid hebben wel degelijk zin in die grote, snelle wereld van ieder-voor-zich. Ook Hij begon met niets van niets…

Overweging

Bent u tijdens de afgelopen meimaand nog naar de Sint Jan geweest in Den Bosch? Vooral bij Brabanders is zo’n tochtje naar hun hoofdstad populair, want in mei breng je een groet aan de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, en naast de kathedraal gonst het van gezelligheid. Geloof en gezelligheid gaan daar nog altijd hand in hand. Zo is het ook met de beelden binnen en buiten deze kerk. Aan de pilaren zijn de heiligen opgesteld, die door hun levenswijze en vroom bestaan een aureool hebben gekregen, terwijl buiten op de randen van het dak figuurtjes uit het dagelijks leven zitten: de Bourgondiër, de bierbrouwer, de fluitspeler; met soms een duiveltje ertussen. Hier gaan vroom en vrolijk hand in hand.

In moderne kerken als de Boskapel vind je geen beelden meer. Om een zo’n groot mogelijk contact met de kerkgangers te bevorderen, ligt het liturgisch centrum bijna in het midden; dáár gaat het om!

Maar nu lijkt het of onze samenleving de behoefte aan heiligenverering heeft overgenomen: ik bedoel de aanbidding van de sterren van het veld, sterren in shows en parades die met schatten betaald worden. En de verkiezing van de beste, de snelste, de mooiste; het opjagen van mensen naar steeds beter, steeds hoger, steeds jonger…. Terwijl we toch weten dat geen mens volmaakt is en dat we allemaal onze onvolkomenheden hebben.

Mogen in onze samenleving gezond en ziek, geslaagd en geschonden, snel en niet-zo-vlot ook hand in hand gaan? In ieder geval zou de geloofsgemeenschap zo’n plek moeten zijn, een plek waar we ons onttrekken aan de haast en ons concentreren op onze binnenkant. Waar aandacht is voor wie jij bent, wat je wilt, waar je verlangen naar uitgaat, hoe je tot bloei komt. En dus gaat het ook over onzekerheid, verdriet, frustratie, woede. Gevoelens die je niet hoeft weg te duwen, omdat ze misschien iets te vertellen hebben. Hier in de Boskapel hebben we daar een spiritueel café voor, een plek waar je samen levensvragen kunt delen. Mensen hebben dat overal en altijd gedaan. Dat leidde tot tal van verhalen, rituelen, oefeningen, levensrichtingen. En die komen bijvoorbeeld tot expressie in liturgie, zoals hier op deze zondagmorgen.

Dit huis waar de weg van Jezus Christus richtinggevend is, is juist daarom al een huis van mensen die zich niet te groot voelen om een vredesgroet in ontvangst te nemen, om hun hand te openen voor oude tekens. Dit is een huis waar mensen zich niet beter hoeven voor te doen dan ze zijn, gewoon omdat volmaakte mensen niet bestaan. “Waan jezelf niet beter dan je bent,” zegt Augustinus, “allen zijn we aangewezen op Gods genade.”

Ook het evangelie van vandaag roept ons op tot bescheidenheid.

Het begint allemaal heel klein en onaanzienlijk. Geloven en samen geloven is als een mosterdzaadje. Ongelooflijk klein, maar er kan een flinke boom uit groeien. Het kan lang duren en het vraagt geduld, maar altijd begint het met dat prille en bescheiden geloof. De parabel van het mosterdzaadje leert ons geloven in kleine daden van goedheid. Dat in de grote wereld van hoogste, beste, meeste…. Ons bescheiden gebed, onze welgemeende vredeswens, een meelevend woord, een troostende hand niet tevergeefs zijn.

Over die groei van die kleine daden hoeven we ons geen zorgen te maken. Want terwijl je even de andere kant opkijkt, “terwijl de boer slaapt,” ontkiemt het zaad. God zelf zorgt voor de groei. Met niets van niets maakt Hij een begin.

Er worden in het huis van God geen eerste prijzen uitgeloofd. Er is geen competentie en geen jury die over ons oordeelt of we wel genoeg geloven. Een klein beetje is al voldoende. In de schaduw van de grote boom kunnen alle vogels zich nestelen. “Alle soorten vogels die er zijn,” zegt Ezechiël in zijn visioen over God’s rijk. Vogels dus van diverse pluimage: mussen en mezen, inheemsen en trekvogels, het duivengezinnetje en de koekoek die zijn ei in andermans nest legt, ook de solovlieger en de vleugellammen vinden er een veilig plekje.

Zo is het rijk van God, zo moet de kerk zijn… wie durft ze dan te verjagen?

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie