Elkaars dienaar

Lezingen: een gedeelte uit Preek 96 van Augustinus; Marcus 10,35-45 (niet heersen, maar dienen)

Welkom allemaal in de Boskapel op deze zondag in oktober, die ook gevierd wordt als Wereldmissiedag. Ieder die zich christen noemt heeft de missie om mee te bouwen aan een hartelijke kerkgemeenschap en een bewoonbare wereld. Daarvoor moeten we dienstbaar aan elkaar willen zijn. De leerlingen die Jezus volgen hopen in zijn dienst echter ook tot een betere positie te komen. Maar daar krijgen ze te horen dat Hem navolgen betekent dat je dienstknecht van allen wilt zijn.

Als je hoog wilt komen, zegt Augustinus in de eerste lezing, moet je onderaan beginnen.

Overweging

Soms hoor je van de zusters van Catharinahof, waar ik nu nog woon, weleens verhalen over het kloosterleven van vroeger. Zo vertelde een zuster, ingetreden in de jaren 50, hoe ontzet ze was toen ze voor de 1e keer meemaakte dat op Goede Vrijdag in de vastentijd de priorin de voeten van alle zusters moest kussen. Toen ze bij haar in de buurt kwam, vluchtte ze naar de keuken. “Dit vind ik beneden alle peil,” zei ze. “Ja, maar hiermee onthoud je haar een grote verdienste,” antwoordde de keukenzuster “want het is een daad van nederigheid.”

Samen met andere novicen moest ze de vieze werkjes opknappen. Toen ze eens vroeg waarom de anderen niet meehielpen, antwoordde de priorin: “De jongste is de minste.” Zo werd je vaak betutteld en klein gehouden. Inspraak bestond nog niet. Humor wel. Want uit die tijd komt ook het gezegde: “De overste wikt, God schrikt, de zuster slikt.” Door humor en zin voor betrekkelijkheid is deze zuster er niet aan onderdoor gegaan. Ze is zichzelf gebleven, al moest ze dingen doen die tegen haar gemoed ingingen.

Ook de getrouwde vrouw zat vroeger vast in rolpatronen; een onschuldig voorbeeld: zij werd geacht de schoenen van man en kinderen te poetsen. “Doe het zelf maar,” zouden we nu zeggen. Vrouwen zijn geëmancipeerd, hebben hun eigen waardigheid. Gelukkig heeft ook het kloosterleven een emancipatie doorgemaakt en mag je voortaan jezelf zijn. Nu kun je meer vanuit je eigen aard en aanleg dienstbaar zijn aan mensen. Emancipatie is een wereldwijd goed: dat we bevrijd zijn van de indeling in bazen en dienstknechten. Maar toch wordt er nog steeds om de beste plaats gevochten, met ellebogen gewerkt. Telkens opnieuw lees je in de krant over vriendjespolitiek, over vooraanstaande leidinggevenden die zichzelf verrijken met geld dat van ons allemaal is; over maffiapraktijken in zelfs eerbiedwaardige regionen. Zo kent ook de kerk na de bevrijding van het Tweede Vaticaans Concilie nog steeds carrière-makers en mensen die over anderen de baas willen spelen, zowel aan de top als aan de basis.

De vrijheid van de één wordt vaak de oorzaak van de onvrijheid van de ander. Het is de gebroken situatie waarin iedere mens deelt, goed en kwaad. Vrijheid van gedachten, meningsuiting en zelfontplooiing zijn fundamentele rechten van de mens. Maar die rechten gelden niet voor mij alleen of voor een bepaald volk. Vrijheid is een fundamenteel recht voor iedereen, en daarom is het niet meer dan rechtvaardig dat vrije mensen zich inzetten voor de bevrijding van de onderdrukten.

Tegen deze achtergrond klinken de woorden van Jezus over dienstbaarheid; niet als een zedenpreek waarin een meester zijn leerlingen klein wil houden, maar als een oproep macht niet te misbruiken, maar in dienst te stellen van de gekwetste medemens. En op Wereldmissiedag, waarop we de solidariteit vieren met onze gekleurde medemensen, krijgen de teksten van vandaag wel een heel concreet perspectief.

Het Evangelie van vandaag wil de menselijke zelfontplooiing in een bepaald licht plaatsen; in het licht met name van de diaconie.

Wat dat betekent maakte een mede-broeder mij duidelijk bij mijn diakenwijding die gold als opstap naar de priesterwijding. Het was Piet van Diepen, die bisschop was van de augustijnenmissie in Papoea. “Denk eraan,” zei hij, “of je nu priester wordt of bisschop, het diaconaat is het fundament van alles. Het criterium waarop God de mens beoordeelt, is niet hoe hoog hij gekomen is op de kerkelijke ladder, of welke geestelijke hoogte hij ook bereikt heeft… De enige norm die Hij bij zijn oordeel hanteert is de vraag: wat heb je gedaan voor je medemens in nood?”
Dat beeld van de ladder hanteert ook Augustinus in zijn preken. “Jij die de hoogste top zoekt, begin met de eerste trede en zet geen stap die boven je maat gaat.”

Via deze uitweidingen is ons hopelijk duidelijk geworden dat nederigheid, de minste zijn, niets te maken heeft met slaafse onderdanigheid, maar alles met een levenshouding waarin ik mijn geestelijke en materiële talenten ter beschikking stel aan ‘de minsten der zijnen’.

Zo gezien, stelt dit Evangelie ons voor een gewetensvraag: Hoe heb ik persoonlijk en hoe hebben wij als rijke Westen de top van de ladder bereikt? En is daar nog plaats voor anderen? Het antwoord kan leiden tot een afdaling naar de eerste trede, om je daar te wijden aan de basisbehoeften van je medemens; de kwetsbare het meest.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie