Effata, ga open

Lezingen: Jesaja 35, 1-7 en Marcus 7, 31- 37

Augustinus, die in Hippo in het huidige Algerije geboren is, wist als geen ander wat de woestijn is. Nog steeds probeert het zand van de woestijn dagelijks de dorpen en steden binnen te dringen. En Augustinus wist ook als geen ander hoe je in de woestijn moest leven, namelijk door steeds weer verder te trekken. “Trek steeds verder” is dan ook een kernbegrip geworden van zijn spiritualiteit.

Als je steeds verder trekt, net als de nomaden in zijn tijd in de Sahara en net als de twaalf stammen van Israël in de tijd van het Oude Testament — als je steeds verder trekt op zoek naar vruchtbaar land voor je kudden, als je steeds verder trekt op weg naar levend water, dan is het leven in de woestijn helemaal zo slecht nog niet. Sterker nog: door steeds verder te trekken, verandert de woestijn telkens weer in beloofd land. (“Onze” Erik van Bronswijk heeft daarover in Op de Hoogte geschreven. Hij is op pelgrimstocht naar het beloofde land, maar ondertussen komt hij het beloofde land ook al op zijn weg ernaar toe tegen.)

Hoe de woestijn kan veranderen in beloofd land, daar wisten de nomaden dus alles van. En als het even tegenviel omdat de ‘Durststrecke’ te lang werd en ze toch geen water of weideland konden vinden, dan konden ze het in de verte wel zien. Op heldere dagen kon je namelijk tot aan de Libanon kijken en dan zag je dat gebergte met zijn groene bossen, met schaduw en met water in overvloed. En als je dan zo keek, dan zag je eigenlijk nog veel meer: dan zag je mensen die oud worden als bomen omdat het hen aan niets ontbreekt. Mensen die weer op krachten komen, knikkende knieën en trillende handen werden weer sterk. Blinden die weer kunnen zien en doven die weer kunnen horen, stommen die het van vreugde uitzingen. — Jesaja heeft deze vergezichten in onze eerste lezing prachtig verwoord.

Daarbij neemt hij dezelfde weg als de nomaden. Hij begint daarbij heel onschuldig bij de droom van de woestijnbewoner over vruchtbaar land, water en schaduw. Maar voor je er erg in hebt is hij al bij de universele droom van alle mensen en van alle tijden: dat je niet gebukt en met knikkende knieën, maar rechtop en in volheid kunt leven. En daarmee niet genoeg: in één adem door neemt Jesaja je mee naar die droom die al het aardse overstijgt. En omdat daar geen echte woorden voor zijn beschrijft hij het met “blinden die kunnen zien, doven die horen en stommen die weer kunnen spreken.”

Als in ons evangelie de mensen een doofstomme bij Jezus brengen, dan doen ze dat in eerste instantie niet omdat ze een medisch wonder verwachten. Nee, ze brengen hem die droom. Met die doofstomme brengen ze hem de droom die we al dromen sinds onze voorouders door de woestijn liepen. Die droom waar we eigenlijk geen echte woorden voor hebben, en waar we allen maar in beelden over kunnen spreken: water in de woestijn, schaduw in de verzengende hitte, mensen sterk als bomen, dat ons leven groter is dan ons bestaan hier en nu. En dat we meer kunnen zien dan wat we met onze ogen kunnen waarnemen, dat we meer kunnen horen dan alleen het lawaai om ons heen, dat we meer kunnen zeggen dan we met onze stem kunnen formuleren…

Ik heb hier “puntje, puntje, puntje” staan. Want je kunt op eigen kracht wel invullen wat jouw droom is. Waar zijn de plekken in jouw leven waar de woestijn verandert in beloofd land? En als Jezus tegen jou zou roepen “effata, ga open”, waar denk je dan aan? Aan die situaties die zo verstopt zitten dat je er niet meer door kunt dringen. Aan verhoudingen die als de tong van de doofstomme zo vast zitten dat er geen beweging meer in te krijgen is. Waar wil je zelf open gaan? Effata — ga open.

Jezus verbiedt aan de mensen om dat wat hij gedaan heeft door te vertellen. Want het gaat niet om hem, maar het gaat erom dat die doofstomme nu op eigen kracht verder kan. En in het Marcusevangelie verbiedt hij het elke keer om het door te vertellen. Want het gaat niet om de wonderen die hij verricht, maar het gaat erom dat hij het ons mogelijk maakt om op eigen kracht verder te trekken.

Als je zo wilt is Jezus alleen maar een soort oase in de woestijn. Opeens verandert de woestijn in vruchtbaar land, is er schaduw en water. Opeens verandert de woestijn in een plek waar God oplicht. Dan weten we weer: we gaan niet alleen, maar we gaan op eigen kracht.

Augustinus hoefde maar om zich heen te kijken om het goed te zien: trek steeds verder, want dan kom je midden in de woestijn schaduw, water en vruchtbaar land tegen. Je komt God tegen. Je gaat niet alleen. En trek steeds verder, want dan zie je onderweg de vergezichten en kijk je verder dan je kunt zien. Trek steeds verder. Je kunt het. Op eigen kracht.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie