De zoom van Zijn mantel

Lezing: Marcus 5, 21-43

Het meest fascinerende aan het pastor-zijn vind ik dat ik me bezig mag houden met de momenten waar God en mensen elkaar raken. Dat klinkt misschien verheven maar dat is het niet. God en mensen raken elkaar namelijk vaker dan je denkt en meestal nog op een manier die helemaal niet zo opzienbarend is. Als mensen aan een sterfbed om je heen staan, of als je een kaartje krijgt wanneer je ziek bent, of gewoon even een goed woord straks bij de koffie. – Nuchter gezien zijn dat hele alledaagse momenten, maar tegelijkertijd zit daar de hele eeuwigheid achter.

Soms heb ik dat ook met muziek. Dan word ik zo ontroerd en heb ik het gevoel dat ik even het tipje van de sluier mag lichten. En ik heb het ook als we hier bij elkaar komen, om bijvoorbeeld de doop van Joshua te vieren, of om er voor elkaar te zijn bij het afscheid van Leonie Vrolijks.

Dat zijn momenten waar we verder mogen kijken dan we eigenlijk kunnen zien. Dan reikt ons aardse bestaan heel even tot in de hemel. Ons tijdelijk bestaan vloeit dan over in de eeuwigheid. Of om het maar in nieuw-nederlands te zeggen: op zulke momenten wordt ons leven “opgewaardeerd”. En als ik het met de woorden van ons evangelie wil zeggen: dat zijn de momenten waar we even de zoom van Zijn mantel mogen aanraken.

Daarom is ons evangelie ook zo’n prachtig verhaal. Niet vanwege de twee genezingen, maar vooral omdat het zoveel meer vertelt dan dat er staat. Er wordt verteld dat de vrouw de zoom van de mantel aanraakt, maar het verhaal zelf is op zich al de zoom van een veel groter verhaal.

Het gaat over twee vrouwen: de ene uit wie het leven al twaalf jaar lang letterlijk weg vloeit; en het dochtertje van Jaïrus dat met haar twaalf jaar sterft op het moment waar het volwassen leven zou moeten beginnen.

De ene vrouw lijdt aan bloedverlies, wordt hier gezegd, en dat is in eerste instantie een medische aandoening. Maar het medische verhaal is hier slechts de “zoom van de mantel”. Die aandoening betekent ook dat ook al zou zij nog vruchtbaar zijn geweest, dat het leven geen kans kreeg om zich te ontwikkelen. Het leven vloeide letterijk uit haar weg. Maar die aandoening betekende in haar tijd ook dat je buitengesloten was uit de gemeenschap, zolang je bloedde gold je namelijk als onrein. Niemand die met jou te maken wilde hebben, laat staan dat iemand jou wilde aanraken.

De vrouw heeft al van alles en nog wat geprobeerd. Zij heeft haar hele vermogen uitgegeven aan dokters en kwakzalvers. Maar niets hielp. – Nu gooit ze het over een andere boeg. Ze heeft van Jezus gehoord, waarschijnlijk allerlei wonderverhalen over mensen die genezen werden. Maar misschien kwam in haar ook een vermoeden op dat deze lichamelijke genezingen slechts de “zoom” zijn van iets veel groters. En verstopt in de menigte raakt ze stiekem van achteren de zoom van zijn mantel aan. Ze probeert niet meer langer de kwaal te verhelpen, maar ze probeert om het léven weer te pakken te krijgen, al is het maar de “zoom” ervan.

En het is curieus dat Jezus dat opmerkt. De menigte verdringt zich om hem heen, iedereen zit wel tegen hem aan te duwen en te trekken, maar die vrouw die alleen even de zoom van zijn mantel heeft aangeraakt, die merkt hij wel op. En hij zegt tegen haar: Uw geloof heeft u geholpen. Niet de medische vaardigheden van Jezus, maar het geloof dat er meer leven voor jou is weggelegd dan de aardse omstandigheden misschien wel willen toelaten. Het geloof dat je aardse leven zich kan uitstrekken tot in de hemel. Het geloof dat jij en God elkaar raken.

En dit geloof is een heel ander geloof dan het geloof van Jaïrus. Daarom zijn de beide verhalen ook aan elkaar gekoppeld. Je zou het bijna vergeten maar eigenlijk is het hele gezelschap onderweg naar het huis van Jaïrus. Jaïrus was een hoogwaardigheidsbekleder aan de synagoge. En het valt op dat hij wel heel goed weet wat Jezus dient te doen. “Mijn dochter ligt op sterven; kom haar ‘de handen opleggen’!”

De religieuze professional die zelfs als zijn dochter op sterven ligt nog routineus alle touwtjes in handen wil houden. De grote Jaïrus die zelfs nu nog erop toeziet dat hij zijn ambt voorbeeldig vervult en dat hij zijn status waardig overeind houdt. Het is natuurlijk inlegkunde, maar de dochter van deze hoogwaardigheidsbekleder was vooral “de dochter van”. En als dochter van Jaïrus hoefde je het je niet in je hoofd te halen om zomaar kattenkwaad uit te halen zoals de andere kinderen op jouw leeftijd. Jaïrus zal er wel op toegezien hebben dat zijn dochter zich ten allen tijde onberispelijk gedroeg, net zoals hijzelf.

Hij vraagt aan Jezus om haar de handen op te leggen, maar misschien was dat nou juist de dieperliggende oorzaak: Door al die opgelegde handen, beschermende handen maar ook verstikkende handen, kwam zij niet tot leven. Daarom krijgt Jaïrus onderweg nog even een lesje in wat geloven echt betekent, namelijk: uitzien naar een leven dat groter is dan jezelf kunt bedenken in plaats van het leven onder controle willen houden. Verlangen in plaats van zeker weten. En vooral vertrouwen, vertrouwen in plaats van “opleggen”.

Jezus legt de dochter dan ook niet de handen op, maar hij neemt haar bij de hand. “Meisje, sta op.” Ga op eigen benen staan en leef.

Ik zei het al, het hoeft helemaal niet groots en meeslepend te zijn als God je aanraakt. Vaak zijn het maar hele kleine gebaren. Niet de hele mantel maar de zoom, en niet de handen opleggen maar bij de hand nemen. Maar met die kleine aanrakingen raak je meer dan je kunt bevatten.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie