De letter en de geest van de Wet

Lezingen: Deuteronomium 4, 1-2.6-8 (De Thora) en Marcus 7, 1-23 (De letter en de geest)

Wat is de zin en onzin van godsdienstige regels, gewoonten en gebruiken? Deze vraag komt op bij de lezingen die we vandaag te horen krijgen. Mozes houdt een pleidooi voor een leven naar de Thora, de joodse wet. In het Evangelie stelt Jezus zich kritisch op ten opzichte van de geldende religieuze voorschriften. Voor Hem is niet de letter, maar de geest van de Thora wezenlijk. Want wat heb je eraan als je uiterlijk correct leeft, maar je innerlijk daar niet mee correspondeert?

Overweging

Nederlanders die in de jaren 50 naar Canada emigreerden, zijn in dat vreemde land veel trouwer gebleven aan hun vaderlandse en kerkelijke tradities dan hun familie die hier achterbleef. In die tradities vonden ze, zo ver hier vandaan, een stukje thuis, en daarom hielden ze er zo graag en sterk aan vast. Zoiets speelde zich ook af bij de joden, die vaak ongewild moesten emigreren. Ze werden in ballingschap gedreven, gedeporteerd. En daar in de verdrukking bewaarden ze hun identiteit door strak vast te houden aan de regels en wetten van thuis, die al sinds Mozes werden onderhouden. De trouw aan de gebruiken, rituelen en regels van de Thora hield hen als volk overeind. “De joden hebben niet de sabbat trouw bewaard, nee de trouw aan de sabbat heeft het joodse volk bewaard”, zo heet het dan.

Als mensen vaste regels naleven, dezelfde gebruiken en rituelen hanteren, schept dat een band. De Thora, de leefregel die Mozes hun gaf, schiep – vooral in den vreemde — een band tussen de mensen onderling en tussen volk en God. Maar rituelen en vaste gewoonten hebben nóg een functie. Ze maken het leven een beetje gemakkelijker. Je hoeft niet iedere keer te denken: “Zal ik het zus of zo doen, of: wat zullen we vandaag eten? Want op vrijdag eten we vis en op zondag krijgen de kinderen frites.”

In deze kerk hebben de meeste mensen hun vaste plek. Sommigen zitten het liefst achterin, anderen altijd aan de kant van het spreekgestoelte en weer anderen zitten het liefst bij een deur. Zo hoef je eigenlijk nooit te denken: waar zal ik nou weer eens gaan zitten? Vaste regels, gebruiken, rituelen maken het leven een beetje overzichtelijker. Rituelen die mensen samen volgen, scheppen een onderlinge band. Vaste gebruiken maken het leven een stukje gemakkelijker.

Maar… diezelfde rituelen, gebruiken en tradities die mensen tot hulp zijn, kunnen ook tot last worden: als je er zó aan vast zit dat ze elke creativiteit doden. Het is dan bijvoorbeeld geen vrijdag wanneer je geen vis hebt gegeten. Kerstmis vier je altijd zo en zo, want anders is het geen Kerstmis. En het koor moet met Pasen het Halleluia van Händel zingen, anders heb je geen Pasen gehad. Of: wie niet doet of denkt zoals de kerk altijd heeft gedaan, is geen echte katholiek. Je houdt je aan de regels en daarmee uit! Maar op deze wijze worden regels en rituelen een last, een strak keurslijf, een stijf harnas.

Jezus was een man uit Nazareth in Galilea, een achtergebleven gebied. Tenminste, dat vonden ze in Jeruzalem. Vanuit de hoogte vroegen enkele schriftgeleerden uit die hoofdstad aan hem: “Waarom houden die leerlingen van jou zich niet aan de traditie en eten ze met ongewassen handen?” En dan hoor je Jezus kwaad worden. Hij verwerpt de wetten van zijn volk niet, maar hij vindt wel dat de wetgeleerden gaandeweg zijn gaan overdrijven. Ze hebben zich verloren in details. Muggenzifters zijn het geworden. “Jullie voltrekken allerlei reinigingsvoorschriften”, zegt hij, “maar je hart is er niet meer bij en zo is het uiterlijk vertoon geworden.” Het ritueel ‘wassen van je handen’ zegt nog niets over de zuiverheid van het hart.

Dit Evangelie is een scherpe aanklacht tegen godsdienstig uiterlijk vertoon, tegen mooi doen voor het oog van het kerkvolk. Dat is niet echt! Het is een troost voor allen die niet altijd even mooi doen, maar in wie een warm en goed hart klopt. En vooral dát, vindt Jezus, maakt een mens echt zuiver en mooi.

Wij hier in de kerk kennen eindeloos veel rituelen en gewoonten. Als we brood en wijn delen bijvoorbeeld, dan willen we zeggen dat we verbonden willen zijn met God en met elkaar. En dat we daar naar best vermogen verantwoordelijkheid voor willen dragen.

Rituelen: we kunnen niet zonder. En steeds daarbij de vraag: mens waar is je hart? Want geloof kan niet zonder rituelen en gebruiken, maar zeker ook niet zonder hart.

Geïnspireerd op een tekst van Cees Remmers, pr.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie