De Geest waait waar ze wil

Lezingen: Numeri 11, 25-29 en Marcus 9, 38-43.45-48

Op 11 oktober is het 50 jaar geleden dat het Tweede Vaticaans Concilie werd geopend. De belangrijkste reden van Paus Johannes XXIII om dit te doen was om de kerk bij de tijd te brengen: ‘aggiornamento’! Tijden zijn veranderd. De vernieuwing van de jaren ’60 heeft plaats gemaakt voor behoudzucht. Alsof het Vaticaan bang was dat de geest te ver uit de fles zou schieten en daarom nu strikt de grenzen aangeeft van wat leerstellig is toegestaan.

De lezingen van vandaag geven veel meer ruimte. Zowel Mozes als Jezus reageren heel open als hen gemeld wordt dat mensen die niet tot de kring behoren, optreden in Gods’ naam — in Jezus’ naam: “Wees niet zo bezorgd om zaken als bevoegdheid en regels, maar geef ruimte aan de Geest!” Actueel, óók voor onze gemeenschap.

Overweging

Oei, dacht ik toen ik dit stukje Evangelie weer las ter voorbereiding op de overweging. Zal ik die laatste verzen maar weglaten? Ze klinken naar sharia-wetgeving in de extreme vorm — naar fanatisme. Maar bij verdere voorbereiding bleken deze verzen toch wel te gebruiken; dat hoop ik u op het einde van de overweging mee te geven.

Eerst naar de verzen 38-43. Misschien dat u het zich nog herinnert, een kerkrel in Millingen, zo’n 6 jaar geleden, schat ik. Een parochiaan van de plaatselijke Anthoniuskerk belde de pastoor op om te melden dat haar man in het ziekenhuis was overleden. Die was bij hem weleens op ziekenbezoek geweest en kwam de weduwe condoleren.
“Ja”, zei de vrouw, “en hij is daar ook nog bediend.”
“O”, vroeg de pastoor, “door wie dan?”
“Door die en die.”
“Maar dat is helemaal geen priester, dat is een dominee!”
“O, is dat erg?”
“Nou, het is in elk geval niet geldig!”
“Maar we voelden ons toch erg aangesproken.”
“Kan wel zijn, maar je had mij moeten waarschuwen. Ik ga hier werk van maken”, zei de pastoor, een onthutste weduwe achterlatend.

We leven in een tijd waarin de officiële kerk regelmatig de regels en de leer van het Instituut naar voren brengt. In OSA-Forum las ik dat een groep van maar liefst 700 theologen op een congres heeft vastgesteld dat het fundamentalisme in de verschillende godsdiensten een opmars maakt. Zo kent de RK Kerk een bevoegd gezag, dat de regels voorschrijft. Daar hebben ze het recht toe, alleen het gaat top-down; overleg is minimaal of is er niet. Voor wat van onderop groeit is angst, waardoor ontwikkelingen, bijvoorbeeld rond het ambt, gefrustreerd worden.

Maar het leven is sterker dan de leer. Onze Nijmeegse ziekenhuizen hebben tegenwoordig, net als elders, een oecumenisch pastores-team: priesters, dominees, pastoraat werkers. Als iemand vrij plotseling bediend moet worden, komt dan de pastor van dienst. Stel dat het een pastoraal werker is, dan zegt zij standaard tegen de zieke (of de familie): “Officieel mag ik u dit sacrament niet toedienen; zal ik een priester bellen?” Uit de verhalen die ik daarover hoor zeggen de meesten dan: “Nee, ú kent mij, ú hebt mij goed bijgestaan, ú mag het van mij doen!”

Uit de lezingen van vandaag blijkt dat Jezus en Mozes zich in zaken van bevoegdheid en regels ruim en open opstellen. Jozua gaat aan Mozes vertellen dat twee lieden — Eldad en Medad — optreden als profeet zonder daartoe officieel bevoegd, zeg maar, gewijd te zijn. “Dat moet niet mogen!” Maar Mozes zegt: “Laat ze maar. Ze zijn niet bevoegd, maar wel bekwaam.’ Begeesterd goed doen zou iedereen mogen en moeten!”

“Gods geest waait waar ze wil”, zegt ook Jezus over mensen van buiten zijn kring die de duivel bezweren en mensen goed doen. “Laat ze maar”, zegt ook Jezus, “wie niet tegen ons is, is voor ons.” In geloofszaken, toen en ook in de huidige kerk, hoef je dus niet persé van hogerhand bevoegd te zijn om bekwaam te zijn. Overal waren mensen, mannen en vrouwen, zich liefdevol en toegewijd inzetten ten bate van anderen, waait de Geest. Die stopt niet bij de kerkdeur!
Wie niet tegen ons is, is vóór ons, vindt Jezus. En dat is ruimer gedacht dan wij mensen, gelovigen en kerken, vaak deden en doen. Hokjesgeest heeft nog nooit een ruime en open kerk voortgebracht, ook geen wereldbrede trouwens!

Die onderlinge strijd van de grootste te willen zijn, van “wij tegenover zij”, dáár moet je mee kappen. En zo komen we bij de sterke beeldspraken van vers 47 en 48. Want zo ruimdenkend en mild als Jezus is voor de mensen buiten de kring van eigen leerlingen, zo streng en veeleisend is hij voor zijn volgelingen. Die moeten hun ogen, handen en voeten goed gebruiken, zo niet, dan kun je ze maar beter kwijt zijn. Die beeldspraken zijn geen praktische aanbevelingen, maar doen een beroep op de verantwoordelijkheid van iemand die in Jezus Christus geest wil leven.

Beter één oog dat lief kijkt, dan twee die neerzien op anderen of scheel kijken van jaloezie.
Handen kunnen slaan of strelen, graaien of geven, opbeuren of neerdrukken. Beter één open hand, dan twee harde vuisten.
En liever kreupel door het leven de goede kant op dan met twee voeten richting hel.

Zó vertaalt priester Cees Remmers de beeldspraken. Erger je niet te vlug aan anderen, maar veeleer aan jezelf als je je verkeerd gebruikt, als je handen en handelen niet in de haak zijn; als je voeten — je gaan en staan — niet deugen. Kap er dan mee, zegt Jezus. Verbeter de wereld en begin bij jezelf.

Gooi de hokjes waarin je jezelf en anderen hebt geplaatst open en geef Gods geest de ruimte!

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie