Sacramentsdag 2011

Lezingen: Deuteronium 8,2-3 en 14b-16a en Johannes 6,51-58

Er zijn mensen die niet herinnerd willen worden aan het verleden omdat daarin gebeurtenissen zijn voorgevallen waarvan ze nu nog ongelukkig of verdrietig worden. Leven zonder verleden gaat echter niet. Wil je weten wie je nu bent, dan zul je moeten beseffen welke wegen je bent gegaan en waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt. Je verleden maakt juist het nu en de toekomst duidelijker.

Wanneer Jezus onderricht geeft in de synagoge in Kafarnaüm herinnert hij zijn toehoorders aan hun verleden. Zij kennen de oude overgeleverde verhalen over de uittocht uit de slavernij met daarna de 40 jaar durende tocht door de woestijn, de honger naar meer dan het gewone want “de mens leeft niet van brood alleen”. Hun vraag naar brood is een vraag naar de zin van hun ontwortelde en op zichzelf teruggeworpen bestaan. Wat doen ze hier eigenlijk, in deze uitzichtloze woestenij met geen enkel zicht op het beloofde land? Was het verleden toch niet beter, je wist tenminste waar je aan toe was, want wat biedt de toekomst nu? Het is een vraag van alle tijden.

Ieder van ons kent zijn / haar woestijnervaring; de eenzaamheid in crisissituaties:

  • een identiteitscrisis,
  • een relatiecrisis,
  • je kunt je kinderen niet meer begrijpen in keuzes die ze maken,
  • het verliezen van je geloof, van oude zekerheden,
  • de groeiende leegte in je leven te midden van welvarendheid.

Wat moet ik, wat moet jij, wat moeten wij samen op deze wereld, in deze woestenij? Woestijnervaringen worden “testcases” in je leven.

Voor het volk Gods onderweg kwam het antwoord “uit de hemel”: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.” Hemel: dat is de tegenpool van de woestijn, alles wat woestijn niet is: bloeiende steppe, bronnen van levend water ontspringen daar. Uit de hemel kwam manna als brood des levens.

Dat is het verhaal: woord van God als een lamp voor je voeten, een weg naar de toekomst. Daaraan herinnert Jezus in de synagoge. De toehoorders willen best in Jezus geloven als hij maar dezelfde rol speelt als Mozes destijds: hij moet optreden als de gever van het brood uit de hemel, bemiddelaar zijn van Gods Woord. Maar dat gebeurt niet in Jezus toespraak. Hij zegt iets volslagen nieuws:

Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn ze gestorven. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Dit brood is mijn vlees dat ik zal geven voor het leven van de wereld. Die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft het eeuwige leven.

“Vlees” staat er. Uit het Grieks vertaald betekent dit: de mens als geheel. Hij, het nieuwe manna, stelt zichzelf met alles wat hij is en wat hij heeft ten dienste van de ander. Opdat die zal leven, de dood voorbij. Jezus is het Woord van God. Voor de joden en ook voor de leerlingen die dit hoorden was het heel schokkend. Het trapte hen op de ziel want het offerritueel in de tempel, sinds Mozes vastgelegd en uitgevoerd, werd naar het verleden verwezen.

Ruim 90 jaren later wist de Johannes- gemeente goed wat dit betekende. Wanneer ze bij elkaar kwamen werd het brood gezegend, gebroken en rondgedeeld en ieder dronk uit de bekers wijn. Ze spraken over Jezus en herinnerden hem op die wijze in woord, gebaar en gebed en deelden in eensgezindheid hun bezittingen. Ze vierden eucharistie zonder dit woord te kennen. Augustinus zegt: “Alleen via het zichtbare kan een mens het onzichtbare ervaren.”

Ieder die een lief mens heeft verloren aan de dood, weet hoe hij of zij aanwezig wordt in verhalen, anekdotes, hoe hij of zij herkend wordt in woorden, gebaren die je overgenomen hebt. In het samen present stellen van de “missing person” is hij of zij er weer bij. Hij, zij is tegenwoordig.

Wanneer wij eucharistie of avondmaal vieren, laten wij Jezus toe in ons leven. Wij staan met lege handen, met open handen omdat wij graag communio, gemeenschap willen vormen met Jezus, “een willen worden in geest en hart”, zegt Augustinus, en hem willen volgen. Door brood en wijn te delen laten we elkaar merken: dat wijzelf veranderen willen en dat kun je proberen, tenminste proberen met de mogelijkheden die je hebt.

“Lichaam van Christus” wordt ons gezegd als we het brood ontvangen.We antwoorden “amen” en daarmee bevestigen we: “ja, dat wil ik zijn.”
Augustinus zegt:”zorg dan dat u werkelijk lid van het lichaam van Christus bent. Dan is uw amen waarachtig”.

In het breken van het brood gedenken we Jezus Christus en onze eigen gebrokenheid. Het lichaam van Christus is geen ander dan de levende gemeenschap die Jezus in herinnering brengt door in zijn naam brood en wijn met elkaar te delen. Zo voeden we elkaar met zijn inspiratie: “een van geest en een van hart”. We hebben elkaar nodig, broodnodig.

Opdat het verhaal door kan gaan, dat verhaal van God en mens.

Inspiratiebronnen:
J. Bluyssen: Waar liefde vraagt, luistert God. [over bisschop Augustinus]
Kerugma, 1998-1999, nr.4, God hier en nu
Liturgiekatern van de Stichting “Midden onder U”

Maria Schröder

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie