Mijn hart kijkt uit naar

Lezingen: Jesaja 61,1-3, Johannes 1,6-8.19-28

Sinterklaas is met zijn Zwarte Pieten weer vertrokken. En ik weet niet hoe jij tegen de zure discussie aankeek dat de figuur van Zwarte Piet racistisch zou zijn. Of dat je ook meegezogen werd in de sinterklaasstress met kinderen die geen oog meer dicht deden. Deze discussie en de sinterklaasstress zijn een beetje als het zand in de woestijn waar Johannes de Doper optreedt. En in dat zand dreigt het levende water van waar het eigenlijk om gaat weg te sijpelen.

Natuurlijk is de figuur van Zwarte Piet niet racistisch, de Pieten zijn namelijk zwart omdat ze door al die schoorstenen moeten kruipen. Maar in een tijd dat de schoorsteen alleen nog maar een aluminium pijpje is aan de hoogrendementsketel gaat dat natuurlijk verloren. En de sinterklaasstress ontstaat doordat de nadruk te eenzijdig op de tastbare cadeaus gelegd wordt en niet op de liefde en de genegenheid waar de cadeaus voor willen staan. Sterker nog, dat we ook dit jaar weer meer geld uitgegeven hebben wordt niet gezien als teken daarvoor, dat wij wellicht meer voor elkaar over hebben, maar het wordt alleen gezien als bewijs dat de crisis eigenlijk helemaal niet zo erg is.

Op die manier wordt ons het zicht genomen op waar het eigenlijk om gaat. Het gaat namelijk om de droom en het visioen achter al die oppervlakkigheden. Om de droom en het visioen van een oude en wijze man die met mildheid en bewogenheid staat voor een wereld waar het goed is. Waar we in geborgenheid kunnen leven zoals we ons ook als kind geborgen voelden. Waar gerechtigheid heerst: “wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe”, maar waar uiteindelijk toch de genade boven het recht gaat. — Als je al de commercie en al die zure discussies even opzij zet, dan hoef je eigenlijk alleen maar een chocoladeletter te zien, of deze droom komt weer boven.

Dat we mogen leven zo zorgeloos als Zwarte Piet die dartelend over de daken de ene gekheid na de nadere uithaalt. Hij brengt cadeautjes en hij tast letterlijk diep in de buidel om gul pepernoten uit te strooien, net als manna in de woestijn. — Deze droom, daar gaat het om. Je zou die droom ook kunnen beschrijven met de woorden van Jesaja: “hoop voor verslagen harten, vrijlating voor gevangenen, bevrijding voor geketenden, een genadejaar waar mensen elkaar alle schuld vergeven en alle schulden kwijtschelden, troost voor de treurenden, een kroon op je hoofd in plaats van stof, feestkledij in plaats van verslagenheid.” — Misschien is die droom bij ons goed weggestopt en verdekt door al die beslommeringen aan de oppervlakte. Maar je hoeft slechts een chocoladeletter te zien of ergens door alle oppervlakkigheid heen zal ook die droom zich een weg banen.

Johannes in het evangelie is zo’n chocoladeletter. Met het ene been in de woestijn en met het andere been in de Jordaan. Met het ene been in de woestijn waar alles wat tot leven wil komen binnen de kortste keren onder het zand bedolven wordt, en met het andere been in de Jordaan die tot op de dag van vandaag de levensader is van het hele land. Zet al het verstikkende zand opzij en kom tot leven. En de mensen van het droge en dorre land dompelt hij onder in het levende water. Zo roept hij bij de mensen die droom weer wakker.

En hij hoeft niet eens zo hard te roepen, of het verlangen van de mensen begint weer te stromen als de Jordaan. Als een stroom die zijn weg moet zoeken door het droge en dode zand. En soms wordt het zand teveel en verdwijnt het water onder de oppervlakte, maar dan komt het op onverwachte plekken weer naar boven om breed en machtig verder te stromen. Het is alsof Johannes even wat zand weg schoffelt zodat die stroom weer vrijkomt.

En iedereen komt. Want iedereen heeft een hart wat uitkijkt. Waar kijkt jouw hart naar uit? Zijn het de grote dingen ver weg, zoals vrede en gerechtigheid, geen onderdrukking meer, geen uitbuiting meer? Waarschijnlijk ook. Maar zeker kijkt je hart ook uit naar dingen veel dichterbij: als je ziek bent dat je weer beter mag worden, of dat degenen die je lief zijn weer gauw mogen herstellen, of dat je de kracht kunt opbrengen om hen nabij te zijn. Dat je liefde kunt geven maar ook liefde mag ontvangen. Dat de ander je niet laat vallen, maar dat de ander ook van jou op aan kan. Dat je een goede ouder bent of een goede grootouder die steun geeft waar nodig en vrijheid genoeg zodat je kind zich kan ontplooien. Dat je iets mag betekenen voor anderen, en dat er mensen om je heen zijn als een warme deken. Waar kijkt jouw hart naar uit?

Het zand wat onze hoop en ons verlangen wil verstikken, kennen we allemaal. En Johannes haalt dat zand even weg. En dan beginnen opeens alle dromen en visioenen weer vrijuit te stromen. Dan is het alsof je van het dorre en dode land komt en ondergedompeld wordt in levend water. Dan is het zelfs zo alsof je niet alleen droomt, maar dan is het alsof die droom al werkelijkheid geworden is. Of om in de taal van de priesters en Levieten te spreken: het is niet alleen alsof Elia teruggekomen is. — In het jodendom zal de profeet Elia terugkomen om de weg voor de Messias te bereiden. — Dat zou op zich al een wonder zijn, maar de priesters en Levieten voelen tegelijkertijd dat er ook nog meer aan de hand is. Johannes lijkt niet alleen op Elia, hij lijkt ook nog eens als een profeet namens God zelf te spreken. Het is dus eigenlijk alsof God zelf gekomen is. En stiekem hebben ze het gevoel dat hij wellicht de Messias is.

De priesters en Levieten worden vaak afgeschilderd als koude en koele religieuze technocraten, die meer oog hebben voor de regels dan voor de mensen. Maar Johannes krijgt het voor elkaar om ook hun harten te raken. En de harten stromen over: “Ben je soms Elia, ben je de profeet, ben je misschien de Messias zelf?” Hier bij Johannes waar het droge en dorre zand van het leven verandert in levend water, hier kijkt je hart niet alleen uit, het is alsof je stoutste dromen al werkelijkheid geworden zijn. Wie ben je toch?

En Johannes zegt, ik ben niet de Messias. Over de Messias moet je veel groter denken, ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken. Maar waarom doop je dan? — Omdat het al begonnen is. Omdat overal waar mensen elkaar niet vast laten lopen in het zand maar waar mensen voor elkaar levend water proberen te zijn, omdat daar de Messias al aan het werk is. Overal waar mensen elkaar opbouwen, genade voor recht laten gaan, overal waar mensen toegewijd zijn aan elkaar, waar mensen elkaar niet in de steek laten maar met elkaar meegaan, desnoods ook door de woestijn — daar kom je al tot leven, daar word je ondergedompeld in levend water, daar is de Messias al aan het werk.

Midden onder u staat hij die gij niet kent. Maar als je met je hart uitkijkt dan kan je hem al zien.

Amen

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie