Ik ga met je mee

Lezingen: Sytze de Vries: Juist jij; en Matteüs 4,12-23: Kom, volg mij

Als je aan een bepaald project begint, ga je eerst wat medestanders zoeken, mensen die met je meedoen. Zo zoekt ook Jezus aan het begin van zijn openbaar leven volgelingen onder de vissers van zijn woonplaats. En dat is heel symbolisch, want zijn project heeft te maken met mensen opvangen. Samen met de vissers wil hij een vangnet uitwerpen voor mensen die dreigen kopje onder te gaan in het woelige leven. Zo worden ook wij uitgedaagd om mensen in nood op te vangen.

Overweging

Op kerstmorgen zag ik een viering op de TV getiteld Hoe zal ik u ontvangen?. Huub Oosterhuis sprak, en wat hij zei, trof me zeer. Eerst stond hij stil bij de geboorte van een mens. Negen maanden geborgen in de schoot van moeder. Maar dan kan zij je niet meer vasthouden, je moet tevoorschijn komen… op eigen adem verder… je wordt geboren: daar ben je dan!

Na deze inleidende woorden vertelde Oosterhuis en ik citeer letterlijk:

Daar staat een meneer voor mijn deur, lastige man, doorgestuurd door iemand die weleens een liedje van me gezongen had. Ja: daar staat hij op mijn drempel, voor mijn neus. Hij kijkt me aan… wat moet ik met hem? Ik moest iets met hem. Hij was onontkoombaar. Maar ik hoopte dat hij gauw weer zou weggaan.

Ik keek in je gezicht… en jij in mijn gezicht, met ogen die zeiden: “Ja, ik weet het, ik ben onmogelijk, ik ben vluchteling, een asielzoeker. Ik heb geen plek op deze aarde, ik ben ontworteld, ik ben overbodig. Maar ik ben ook geboren, moest ook op eigen benen verder. Neem me op, red mijn ziel, dood me niet, ik ben een mens als jij.”

Tot zover zijn verhaal.

Ja, vanaf je geboorte zijn er mensen die met je meegaan. Eerst je ouders, dan komen er vriendjes, vriendinnetjes, collega’s en misschien wel een overweldigende liefde. Er komen mensen bij en er vallen soms mensen af. We trekken mensen aan, maar we laten hen ook weer los. Of andersom, mensen willen een tijdje met je optrekken en laten je dan weer in de steek.

Ouders die hun kind loslaten omdat ze volwassen genoeg zijn geworden, dat is een gezonde zaak. Twee jonge mensen die een paar jaar samenwonen en niet meer verder willen, dat is vaak een pijnlijke zaak. Ouders met een gehandicapt kind besluiten met pijn in het hart hun kind te laten opnemen in een verzorgingshuis, omdat ze het zelf niet meer aankunnen. Hoever kunnen wij meegaan, hoever durven we mee te gaan? Eerst kun je zielsveel van iemand houden en later, als het zwaar weer wordt, als de storm opsteekt, durf je opeens niet meer verder. Ik heb een keer een moeder meegemaakt die op advies van maatschappelijk werk haar zwervende zoon die aan de drugs was, had losgelaten. Als hij bij haar kwam, was het toch alleen maar voor geld. Later deed ik zijn uitvaart, hij had de vrieskou niet overleefd. Tranen van spijt in moeders ogen, of was het schaamte?

“Ga met me mee, volg mij,” het wordt natuurlijk ook tot ons gezegd. Ook wij worden geroepen. Soms doe je net of je niks hoort en kijkt de andere kant op. Niet zoveel zin om weer allerlei verhalen aan te horen of toestanden mee te maken. Meegaan? Nu even niet! Het lukt gewoon niet altijd om er te zijn voor je partner, je kind, die vluchteling, die zieke, ook al heb je het beloofd. De dagelijkse werkelijkheid is lastig.

Zo lukt het ook niet altijd om onvoorwaardelijk in God te geloven.

Die vissers kozen wel heel erg snel, maar zijn later toch een paar keer flink door de mand gevallen. Veel mensen houden tegenwoordig liever een slag om de arm als het over geloven gaat. God is zo ongrijpbaar, wat wil hij eigenlijk van ons? Wat kunnen wij met Hem? Hij lijkt wel die lastige man op mijn drempel die vraagt om aandacht. Hij lijkt wel die zwervende zoon, gooit heel je leven omver, en toch houd je van hem; je wilt hem niet kwijt. Misschien is het ook wel teveel gevraagd om onvoorwaardelijk voor een God te kiezen die zich in de minsten openbaart.

Maar het lijkt wel of God het omdraait zoals die 1ste leerling dat doet; Hij kiest jou. Hij wil met jou mee! “Nou, een stukje dan,” zeg je voorzichtig, “niet te ver.” “Kom, dan gaan we samen mensen opvangen.” “Ja, goed, eventjes dan, ik heb niet zoveel tijd.”

Wie mag er met je mee? Je hebt het niet altijd voor het zeggen. Ineens staat hij daar of zij: een mens, moederziel alleen, en je hebt te handelen. Mensen opvangen is geen spelletje, het is vaak bittere noodzaak. Er zijn mensen die voor hun oude ouders zorgen, ook al is dat soms heel moeilijk. Toch kunnen we allemaal op een punt komen, zoals die moeder van de zwervende zoon, en niet meer weten wat we moeten doen, niet meer zeker weten of je de verantwoordelijkheid nog wel aankunt. Kan ik die mens wel dragen of zal ik er onder bezwijken? Overleeft mijn liefde deze ruzie? Ga ik mee? Wie gaat er met mij mee?

“Ik ga met je mee.” Dat is een woord dat al eeuwen klinkt in het gelovig hart van mensen. Hoe moeilijk de weg ook is, hoe zwaar het ook is de belofte waar te maken, er klinkt een goddelijk woord dat ons op de been houdt. God gaat met ons de weg die niemand met ons durft te gaan. Hoe alleen je je ook voelt, God gaat mee, ongevraagd soms, zo onverwacht. Dat is de kracht die in ons geloof zit.

Met zo’n geloof kun je ook je zorgen voor die ander leren relativeren. Ga maar gewoon op weg. Draag wat je dragen kunt, zorg voor hen die je zijn toevertrouwd. Niet jij bent de Messias, het hangt niet helemaal van jou af of iets lukt of mislukt. God is er ook nog: durf je ook wat aan hem over te laten? Vertrouw je op zijn leiding? Dat is wat Jezus wakker roept bij de vissers: gaandeweg merken ze dat God met hen meegaat, dat ze nooit meer alleen zijn.

Dat vertrouwen wens ik u en mijzelf toe!

Joost Koopmans osa
Inspiratiebron: Jos Zwetsloot

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie