Getuigenis bij de installatieviering van Ekkehard Muth, Pinksteren 2011

[Als achtergrond: tijdens de viering kreeg Ekkehard Muth de Schrift, het intentieboek, en brood en wijn overhandigd. In zijn getuigenis reageert Ekkehard op de wensen die daarbij zijn uitgesproken.]

De Schrift, het intentieboek, brood en wijn. Augustinus zegt over brood en wijn: de gaven op het altaar zijn een teken van wat we zelf zijn. Namelijk brood voor het leven en wijn die het leven sprankelend maakt. De gaven op het altaar, dat zijn wij zelf opdat wij zelf tot brood en wijn voor elkaar worden, en opdat Christus door ons, met ons en in ons lichaam en bloed wordt. En ik denk dat ik geen misbruik maak van Augustinus als ik zijn uitspraak ook betrek op de andere gaven op de tafel: op de Schrift en op het intentieboek. De gaven op de tafel, dat zijn wij zelf.

Laat ik beginnen met de Schrift. Ja, ik wil met jullie samen het verhaal van God met zijn mensen zó lezen dat wij het allen kunnen verstaan en dat wij het ook kunnen ervaren. Een boek als de heilige schrift heeft een groot voordeel: wat er namelijk in geschreven staat, staat vast, je kunt er niets meer aan afdoen en ook niets meer aan toevoegen. De woorden zijn er veilig in opgeborgen. Maar daarin schuilt ook meteen het grootste gevaar namelijk: dat de woorden er zo veilig in opgeborgen zijn dat ze in de boekenkast wegkwijnen en in vergetelheid raken. Dat het verhaal van God met zijn mensen tot stilstand komt en tot dode letters stolt. — Voordat de verhalen van God en zijn mensen op schrift werden gesteld, werden zij mondeling doorverteld; eeuwenlang van generatie op generatie. En als je een verhaal vertelt dan gaat het letterlijk door je heen. Je hoort het, je onthoudt het, je merkt dat het waar is omdat je het ook zo ervaart: dit is ook mijn droom, dit is ook mijn verlangen, zo doet God ook met mij. En als je het dan op jouw beurt doorvertelt dan is het geen dode letter meer, maar dan is het letterlijk een doorleefd verhaal.

Zó wil ik met jullie de bijbel lezen. Dat de gestolde letters weer vloeibaar worden. Dat het verhaal van God en zijn mensen in ons tot leven komt. Opdat God zijn verhaal met de mensen in ons voort kan schrijven; zodat we — soms heel even, maar toch — kunnen zeggen: de Schrift op tafel, dat zijn wijzelf.

Ja, ik wil met jullie leven en dood zó vieren dat wij getroost en gesterkt worden. Jullie hebben mij daarvoor het intentieboek overhandigd, het boek waaraan wij toevertrouwen wat ons ten diepste bekommert en wat ons ten diepste gelukkig maakt. Misschien zijn het op een zondag maar een paar zinnen en enkele namen, maar die staan tegelijkertijd voor alle uitgesproken en onuitgesproken lief en leed. Voor al onze zorgen en noden, voor ons verdriet en uitzichtloosheid; maar ook voor als ons geluk, onze vreugde en de glans van ons leven.

Jullie vragen mij om leven en dood te víeren. En daarmee bedoelen we natuurlijk niet om van alles te pas en te onpas een feestje te maken. Nee, vieren betekent dat we onszelf met onze wanhoop en met onze hoop laten optillen naar God. Dat we God laten delen in ons leven en in onze dood. Of we nou ons geluk niet meer op kunnen of dat we geconfronteerd worden met ziekte en nood, en zelfs als we moeten sterven, dan leggen we onszelf hier op tafel en vertrouwen we ons toe aan God. Zó wil ik met jullie leven en dood vieren, opdat wij mensen mogen zijn van God.

Brood en wijn. Lichaam en bloed van Christus. Ja, ik wil met jullie het brood zó eten dat wij mogen delen in Jezus Christus. En ja, ik wil met jullie de beker zó drinken dat wij delen in het nieuw verbond. Hij heeft ons geen betere gaven kunnen nalaten dan brood en wijn. Brood, levenskracht die we letterlijk broodnodig hebben. En wijn die ons leven bezielt. ‘Neemt en eet, dat is mijn lichaam, neemt en drinkt, dat is mijn bloed’, heeft Hij gezegd. Daarbij ging het hem niet om een goocheltrucje, en hier aan tafel voltrekken we dan ook geen magisch ritueel waarin brood en wijn omgetoverd worden in lichaam en bloed. Maar zoals het brood in ons lichaam wordt opgenomen en zoals de wijn aan ons hart vleugels geeft, zo nemen we Christus in ons op en laten we ons door Christus bezielen. Zo worden brood en wijn lichaam en bloed van Christus, en zo worden wij zelf lichaam en bloed van Christus. De gaven op het altaar, dat zijn wij zelf.

Zó wil ik met jullie het brood eten en de beker drinken, namelijk in het vertrouwen dat wij zelf tot brood en wijn voor elkaar mogen zijn, en in het diepste geloof dat Christus door ons, met ons en in ons telkens weer lichaam en bloed wil worden.

Wat er op tafel ligt, dat zijn wij zelf: het verhaal van God en zijn mensen dat God ook in ons voort wil schrijven. Leven en dood waarin wij mensen van God mogen zijn. En brood en wijn om lichaam en bloed van Christus te worden. — Het gaat in deze installatieviering weliswaar om mij, maar vandaag is het allereerst Pinksteren. Allereerst en voor alles gaat het om Gods Heilige Geest. Ik wil met alles wat mij gegeven is mijn steentje bijdragen, maar ik vraag God om zijn Geest. Moge hij met zijn Geest bij ons zijn als we samen optrekken. En moge hij ons geven dat we elkaar tot zegen zijn.

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie