De zaaier en de grond

Lezingen: Matteüs 13, 1-9

Beste mensen.

O je, denk je nu, hopelijk valt de zaad bij mij in goede aarde, hopelijk hoor ik bij de mensen die in de gelijkenis de “goede grond“ genoemd worden. – Ik kan u gerust stellen, althans zo leg ik het uit, wij horen wel bij de mensen waar het zaad in goede aarde valt. Maar, er is ook een ‘maar’: we zijn namelijk tegelijkertijd ook de weg waar de vogels de zaadkorrels meteen opeten; en we zijn ook de rotsachtige grond waar het zaad maar kort opschiet en vervolgens weer verkommert; en we zijn ook de grond met distels waaronder alles meteen weer verstikt.

En om de verwarring maar gelijk nog groter te maken, beweer ik ook nog dat het daar niet eens om gaat. Doordat er zo uitgebreid verteld wordt over waar de zaadkorrels allemaal terechtkomen, verliezen we al gauw de zaaier uit het oog. Hij wordt ook maar heel kort, bijna slechts zijdelings genoemd: “Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien.” Toch is de zaaier wel de hoofdfiguur.

Ik wil daarom eerst maar naar de zaaier kijken: Misschien krijgt u daar meteen een romantisch beeld bij zoals het vroeger was toen er nog met de hand gezaaid werd. Toen liep de zaaier met ruime gebaren over zijn akker. Steeds weer tastte hij diep in de buidel en met weidse bewegingen strooide hij het zaad uit.

In de tijd van Jezus werd ook met de hand gezaaid. Maar, ondanks alle gulle bewegingen, een beetje boer wist toen heus wel waar hij het zaad moest strooien en waar vooral niet. Misschien dat een windvlaag soms wat zaad meenam, maar een zaaier zal de korrels niet zomaar op de weg, of op de rotsen, of onder de distels gegooid hebben.

Als hier nu verteld wordt dat de zaad daar wel terechtgekomen is, dan kunnen we ervan uitgaan dat Jezus het hier wel over een bijzondere zaaier heeft. Natuurlijk weet iedereen dat met die zaaier God bedoeld is, maar het eerste wat Jezus over die zaaier zegt, is dat hij anders zaait dan gewone zaaiers.

De zaaier van Jezus, die is gul, hij doseert niet, integendeel, met open handen en met weidse gebaren gooit hij het uit. Zijn buidel vloeit over en blindelings strooit hij het zaad op rotsen, en wegen, onder het onkruid en ondertussen ook in goede aarde. – Laten we dat even vasthouden: onze gelijkenis vertelt eerst over God. God die mateloos en gul, weids en ruimhartig uitdeelt. Liever verkwist hij een groot deel van het zaad dan dat hij ook maar één vierkante centimeter van de goede grond mist.

En nu pas vertelt de gelijkenis ook over de mensen. Ik zei het al, door de uitvoerige beschrijving van de verschillende soorten grond worden we eigenlijk een beetje op de verkeerde been gezet. Al gauw kijk je alleen nog maar naar jezelf en vraag je je af of jij wel de ‘goede grond’ bent. En voor je er erg in hebt denk je misschien ook nog dat met de verschillende soorten grond ook verschillende soorten mensen bedoeld zijn: gelovigen, misschien en minder gelovigen, ongelovigen en minder ongelovigen, en wat je nog allemaal voor categorieën kunt bedenken. Maar als de zaaier al geen onderscheid maakt, waarom zouden wij dan wel onderscheid maken?

Nee, de gelijkenis vertelt niet over verschillende mensen, maar het vertelt over dè mens, het gaat over jezelf:

Natuurlijk ben je de ‘goede grond’: je geloof is bij jou diep geworteld. Ook al loop je daar niet de hele dag mee te koop, je voelt een diepe verbondenheid met God. Je onderhoudt die verbondenheid ook, je gaat naar de kerk en je herkent God misschien ook in de natuur of in de mensen om je heen.

Maar bij tijd en wijle groeien bij jou ook distels. Je zorgen groeien je boven het hoofd. Je bent misschien ziek of andere noden nemen je zo in beslag dat je geen licht meer ziet. Dan groeien de distels zo hard dat ze alles verstikken.

Dan weer heeft, wat je overkomen is, je zo hard gemaakt als steen. Misschien ben je gekwetst en heb je besloten dat niets en niemand meer tot je door mag dringen. Of misschien ben je hard geworden in je denken, dat geeft je aan de ene kant houvast want je opvattingen staan als een rots in het water. Maar soms verlang je er misschien naat dat je wat opener zou kunnen zijn, dat je de ander wat meer kon toelaten en dat je dingen die altijd zo geweest zijn eens vanuit een ander perspectief zou kunnen zien. Dat zijn de momenten waar het zaad tussen de rotsen even opschiet.

En af en toe ben je ook net als de weg. De zaadkorrels vinden geen houvast omdat je er niets mee kan. Soms verlies je gewoon je geloof. Dan gebeuren er dingen die je niet meer kunt rijmen met wat je altijd geloofde. Je krijgt misschien een naar bericht of iemand die je lief is overlijdt, dan is de grond onder je voeten weggeslagen. En soms moet je door een periode heen waar je ziel zo is vertrapt zoals ook de aarde op een drukke weg aangestampt is. Dan waait het geloof zomaar weg.

Maar waar je op dit moment in je leven ook zit, voor de zaaier ben je daarom niet minder. Of je nu die gladde aangestampte weg bent, of dat je hard geworden bent als de rotsbodem, of dat je overwoekerd raakt onder de distels – hoe dan ook, God blijft zaaien. God blijft dichtbij. Juist op de grond waaraan geen verstandige boer zijn zaadgoed zou verspillen blijft hij juist weids uithalen. Juist daar kan hij er niet genoeg van krijgen om zichzelf in overvloed uit te strooien.

En soms mogen we het dan meemaken: dat het in de aangestampte grond toch weer begint te kiemen. Dat een scheut toch door de harde steen heen weet te dringen. Dat een sprietje zich toch door de distels heen een weg naar het licht zoekt. – God blijft erin geloven dat ook die plekken weer goede aarde kunnen worden. God blijft erin geloven dat wij goede aarde zijn en dat wij tegelijkertijd telkens weer goede aarde kunnen worden. Hoe aangestampt, hoe rotsachtig, hoe overwoekerd ook, hij laat zich niet weerhouden om in ons te kiemen en te groeien.

Amen

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *