De nieuwe Boskapel

Lezing: Matteus 7, 24-27

De Boskapel is verbouwd, de verf is nog nat en u moet maar niet hier achter de schermen kijken, want de gereedschapskisten en schoonmaakemmers zijn nog maar net opgeborgen, en nog lang niet alles heeft zijn plek gevonden. En toch is dat precies de situatie waardoor onze christelijke traditie al die eeuwen zo goed heeft overleeft. De Duitse Filosoof Rüdiger Safranski heeft dat nog niet zo lang geleden in een essay in Trouw beschreven. Daarin stelde hij dat het juist de kracht is van het christendom dat het zich steeds weer kan vernieuwen. Dat het het vermogen heeft om zichzelf telkens weer kritisch onder de loep te nemen – in het Duits zeggen we: “sich in Frage stellen”. En dat het vervolgens de moed heeft om de nieuwe inzichten ook te integreren. — Het is de kracht van het christendom dat de gereedschapskisten en schoonmaakemmers constant klaar staan en dat het een goede traditie geworden is om alsmaar te verbouwen.

Nu gaat dat natuurlijk niet zonder slag of stoot. Soms duurt het wel heel lang totdat de schop in de grond gaat. En vaak worden verbouwingen ook weer ongedaan gemaakt, zoals we dat tegenwoordig weer in onze kerk meemaken. Maar de gereedschapskisten en schoonmaakemmers, en dat het tot je wezen hoort om steeds weer opnieuw te verbouwen, dat is het beeld wat ook Augustinus en Matteüs voor ogen hebben als zij vertellen wat het betekent om gelovig te zijn.

En wij als Boskapelgemeenschap weten dat al helemaal, tenslotte zijn wij het product van zo’n verbouwing, namelijk de grote verbouwing na het Tweede Vaticaanse Concilie. Toen werd de Boskapel aangewezen als experimenteerplaats voor nieuwe vormen om te vieren, en als bouwplaats voor eigentijdse manieren om te geloven. Maar in feite begon de verbouwing al veel eerder: namelijk al in de 4e eeuw toen Augustinus al bouwplannen schetste voor een kerk die als hoofdkenmerk heeft dat zij constant in de steigers staat.

Als je zelfgenoegzaam naar je mooie huis kijkt dan blijf je stilstaan. Als je denkt: nu is het helemaal af, dan ga je ten onder. — Helaas heeft Augustinus vaak genoeg gelijk gekregen. Want als we kijken wanneer de kerk in de geschiedenis aan het afkalven was, dan waren dat altijd de periodes waarin de kerk zelfgenoegzaam was. De periodes waarin de kerk dacht dat ze nu eindelijk de ultieme waarheid in pacht had. En de periodes waarin de kerk zich veilig voelde en haar macht koesterde. En dan heb ik het nog niet over de periode van nu waar de kerk denkt dat je blijft bestaan als je maar alles voldoende dichttimmert en in regels vastlegt. —

Het lijkt er trouwens een beetje op alsof de kerk zich daarbij op Matteüs kan beroepen. Dat je je huis van geloof op een rots moet bouwen, want dan zal het de modderstromen van de moderne tijd ongedeerd doorstaan, en zal het de stormen van al die eigentijdse en persoonlijke geloofsbelevingen trotseren. — Maar als je het zo leest dan zie je een belangrijk zinnetje over het hoofd. Volgens Matteüs zegt Jezus namelijk niet alleen: “wie deze woorden van mij hoort”, maar hij voegt eraan toe: “en ernaar hándelt”. Geloven betekent niet de woorden van Jezus in steen gebeiteld en stevig ingemetseld te bewaren, maar geloven betekent om de woorden te vertalen, om er telkens weer iets mee toe doen, om ze steeds weer opnieuw toe te passen en aan te passen. De woorden van Jezus zijn geen gebouw wat af is, de woorden van Jezus komen pas af als je eraan blijft bouwen. Ze komen pas af als je het huis telkens weer verandert, opknapt en verbouwt. Zodat het telkens weer opnieuw een huis wordt waarin mensen van vandaag de dag in Zijn zin kunnen wonen.

Je huis op rots bouwen is dan ook niet bouwen op oeroude onwrikbaar vaststaande waarheden — die zullen uiteindelijk toch weer afbrokkelen. Maar als je met de woorden aan de slag gaat, als je ze telkens weer in een ander licht bekijkt en er op vernieuwende manieren mee omgaat, dan komt je huis wel op een rots te staan.
Dat bedoelt Augustinus als hij zegt: je moet altijd ontevreden zijn met waar je nu bent. Je moet altijd verder trekken. Niet naar het vroegere kijken, niet terugverlangen naar het oude vertrouwde, want dan verstar je net als de vrouw van Lot. Nee, oude muren afbreken, kamers die te klein zijn geworden slopen en opnieuw ruimte maken. Vormen en indelingen die niet meer passen weghalen en opnieuw bouwen. Een huis waar niet meer aan gebouwd wordt, wordt binnen de kortste keren een knellend en benauwend bouwwerk. De mensen zullen het dan verlaten en het laten vervallen — Het huis van geloof wat Augustinus voor ogen heeft is een huis dat constant in de steigers staat. Je zult er altijd gereedschapskisten en schoonmaakemmers tegenkomen, want altijd zal er ergens in het huis weer iets vernieuwd worden.

In die geest zijn wij als Boskapelgemeenschap van start gegaan, toen in de frisse wind van het Tweede Vaticaanse Concilie die zo de geest van Augustinus ademde. Er is hier zelfs een geheel nieuwe kerk gebouwd. Een kerk zonder toren als een manende wijsvinger, een kerk niet hoog verheven maar letterlijk dicht bij de grond. Een kerk waar je niet opkijkt naar de priester, maar waar de voorganger op het laagste punt staat; een kerk waar de ménsen op een verhoging zitten want God is het om de mensen te doen. Een kerk waar geen trappen en hekken je weerhouden maar waar je als je niet oppast en je gang niet afremt vanzelf naar het altaar, naar God toerolt. Een kerk waar je in een kring om het altaar staat en waar je elkaar in de ogen kijkt omdat je sámen onderweg bent naar God.

En nu is dit huis opnieuw verbouwd. En hoewel deze verbouwing geheel door onze gereformeerde vrienden gedaan is, voelen wij allen dat niet alleen het gebouw verbouwd is, maar ook onze Boskapelgemeenschap.

Woonden we tot twee jaar geleden nog in een soort aanleunwoning bij het augustijnse hoofdgebouw, nu zijn we als ‘volwassen geworden kind van de augustijnen’ zelfstandig gaan wonen. Nu heeft dit huis meer openingen naar buiten gekregen, omdat we in een tijd dat de kerk zich naar binnen keert juist willen opkomen voor een open geloof dat ook de verbinding zoekt met andere tradities. Het is frisser en lichter geworden, omdat we ook op een positieve en stralende manier katholiek willen zijn. En het liturgische meubilair is letterlijk bewegelijk geworden, een goed beeld voor hoe ook wij in beweging willen blijven. En het is transparanter geworden, want we hopen dat we op onze weg steeds meer van God mogen zien.

U merkt het al, de verbouwing van het gebouw is weliswaar af, de verf is nog nat en de gereedschapskisten en de schoonmaakemmers zijn net opgeborgen. Maar de verbouwing van degenen die hier samenkomen blijft gewoon doorgaan. Laten we de gereedschapskisten en schoonmaakemmers dan maar rustig een beetje in de buurt houden.

Amen

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie