Wachten en waken (advent 2010)

Lezingen: Jesaja 2,1-5 (visioen van vrede) en Matteüs 24,37-44 (Weest waakzaam)

Stilstaan, een hele vooruitgang, is het adventsthema dat de liturgiegroep koos na het gesprek met allen die hier op welke manier ook liturgisch bezig zijn.

Vooruitgang: boek je dat als je materiële wens- en verlanglijstjes vervuld worden? Dat is zeker aantrekkelijk. Maar hoe komt het dan dat er toch iets aan je blijft knagen? Alles hebben, en nog niet gelukkig zijn? Is dat de ziel die zich roert? Innerlijke onrust? Een diep verlangen dat uitstijgt boven begeerte?

In deze adventstijd hopen we vooruitgang te boeken door eens tijd te maken voor die ziel,die onrust, dat verlangen: wat zijn onze diepste drijfveren? Vier weken om stil te staan bij wat er echt toe doet; speuren naar licht in de donkerste tijd van het jaar.

Overweging

Mijn ogen bleven maar kijken naar de foto die afgelopen woensdag op de voorpagina van Trouw stond: de Burmese San Suu Kyi die de hand vasthoudt van haar jongste zoon. Bijna 10 jaar geleden zagen ze elkaar voor het laatst.

Twee mensen die van wachten weten, en dat is af te lezen op hun gezichten. Wachten op betere tijden terwijl je veroordeeld bent tot huisarrest; wachten tot het militaire regime valt of minstens soepeler wordt. Wachten als verlangen naar ontmoeting… straks… ooit… je weet niet op welke dag het verlangen wordt vervuld.

Zullen ze de moed soms niet verloren zijn, bv. als de junta weer eens toesloeg? Dat zou heel goed kunnen, maar dan toch: moed houden, lichtpuntjes blijven zien, moedeloosheid niet het laatste woord geven. Dat is het juist wat ik op die foto zie: gezichten, gerijpt door het groeiend verlangen; bewogenheid om het weerzien na zoveel jaren; vreugde om de vervulling en vastberadenheid om door te gaan op de ingeslagen weg. Om dat alles en nog zoveel wat onzegbaar is bleef en blijf ik stil staan bij deze foto.

Er is ook een ander soort wachten: het wachten dat niet meer is dan je tijd uitzitten, zoals de portier die niks te doen heeft en voortdurend op de klok kijkt of hij kan gaan. Nog erger wordt het als je eigenlijk niks meer van het leven te verwachten hebt. Je idealen zijn verschrompeld, een relatie is doodgebloed, je bent teleurgesteld in je vrienden. Dan is het net alsof je in de wachtkamer van een station zit waar al jaren geen trein meer stopt. Verwachting is veranderd in verveling, vertwijfeling, verwensing misschien wel. Er is geen uitzicht meer. Uit zo’n leven wordt niets meer geboren. Geen zin, geen licht, geen kind.

Vandaag heeft een kind een licht ontstoken. Een aarzelende vlam op de adventskrans. Dat kleine licht wil ons iets vertellen. Heel bescheiden komt het in onze wereld. Net als het eerste licht van de dag. Net als dat beetje licht dat door de kier van een deur schijnt. “De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij.”

Wie het ziet, wordt nieuwsgierig. Dat kleine licht is het begin van een verhaal. Het gaat over een nieuwe dag. Een ander soort dag dan we gewend zijn. We moeten opstaan en er naar toe gaan. Jesaia ziet overal mensen in beweging komen. Er gaat iets gebeuren. Wij kunnen ook naar dat licht toegaan, en als we de deur openen, knipperen onze ogen van al die stralende nieuwigheid.

Wat een mooie dag! We zien geen zwaarden, geen speren, geen krotten, maar ploegijzers en woonhuizen. We zien geen kinderen die werken in steengroeven of met geweren rondlopen, maar speeltuinen vol lachende kinderen. We horen geen verdommenis en doem, maar woorden vol vriendschap. We zien handen vol dienstbaarheid.

Daar gaat het over, dat verhaal van het eerste licht. Wie in bed wil blijven liggen, wie deuren en oren dicht houdt, zal de nieuwe dag niet beleven: geen licht, geen uitzicht. Het nieuwe lied zal hij niet horen. Zo staat het in het evangelie: de een wordt aangesproken, staat op en gaat mee, de ander wil niet en blijft achter.

Maar dat is nog niet het hele verhaal. Het verhaal gaat verder. Er zal nog meer horizon te zien zijn, nog meer licht. Er zal een kind komen. Geen oud kind, geen stenen beeldje verpakt in stro. Een nieuw kind als een nieuw begin van leven. Dat kind zegt niets, kijkt alleen maar. Het is een kind met blote voetjes, nog geen schoenen aan. Dat is nodig, omdat onze zware voeten zo gemakkelijk vertrappen wat kwetsbaar is. Geen hakken in het zand, geen stampende laarzen van welke junta ook. Een kind zo stil. Zonder mening, zonder verleden, zonder wapens. Dat kind heeft geen haast, geen zorgen, geen jaloezie.

Wat een wonderlijk verhaal, een verhaal om bij stil te staan, zoals de voeten op de buitenring van het schilderij pas op de plaats maken in de drukte van alledag. Blote voeten ook, om voeling te houden met de grond, de oorsprong van ons bestaan. Oude schoenen uitgetrokken, aangekoekte meningen in ons vermoeide hoofd opzij gezet, omdat nieuw leven zich aandient. Nieuw leven dat in het binnenste tastend aan het licht komt. In Maria groeit en rijpt dat nieuwe leven. Zoals zij zwanger is van dat nieuwe kind, zo kunnen ook wij in verwachting raken, want er is altijd een kind in jou en mij. Een kind dat ziet wat is, een stuk puurheid en zuivere eerlijkheid. Het wekt je zachtheid weer.

Zoals San Suu Kyi en haar zoon niet moe worden om het verlangend wachten vol te houden, zo mogen ook wij niet afhaken en het leven lijdzaam uitzitten. Wees waakzaam, zegt Jezus, en haat het licht niet. Het dringt door alle kieren heen. Houd je verlangen scherp, vertrouw je toe aan de dag die komt.

Joost Koopmans osa
inspiratiebron: Jos Zwetsloot, Brood en Adem, Kampen, 2010

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie