Vrede voor jou

Lezingen: Tijdelijke vrede (uit De stad Gods, van Augustinus), Johannes 14, 23-29

Straks wanneer we wat verder gevorderd zijn met deze viering, zullen we allemaal opstaan en elkaar vrede wensen. Het is zeker prettig even de benen te strekken, maar daarom doen we het natuurlijk niet. Het is voor ons een gelegenheid waarbij we proberen gemeenschap van Christus te vormen, door elkaar zijn vrede te wensen. En eigenlijk zou het dan zo moeten zijn dat je onder de koffie straks die smakelijke roddel of die kwade woorden ook maar binnen houdt, dat is niet zo vredelievend. Het is beter het goede door te vertellen dat je van een ander weet, dan het kwade, zegt Augustinus ergens in een preek.

Maar wat is nu eigenlijk vrede? We zijn gauw geneigd de vrede gelijk te stellen met afwezigheid van conflicten, met afwezigheid van oorlog. Maar dat is al te gemakkelijk. We hebben deze week gevierd dat er 65 jaar geleden een einde kwam aan de tweede wereldoorlog en dat er al 65 jaar geen vreemde mogendheid ons land is binnengedrongen. Maar we vierden ook dat geprobeerd is vrijheid en gerechtigheid te realiseren. Vrede kan immers nooit zonder gerechtigheid.

Wanneer aan de andere kant van de aardbol mensen moeten rondkomen van minder dan 1 dollar per dag, terwijl velen van ons toch meestal kunnen kopen wat we willen, is er geen gerechtigheid en dus ook geen vrede. Al die 65 jaar is het ons niet gelukt vrede te maken, hoe goed we ook ons best deden of dachten te doen. In het vuur van de wederopbouw direct na de oorlog, was er geen aandacht voor diegenen die berooid en verweesd terugkeerden uit de kampen en de koloniën. Daarna leefden we in de koude oorlog, waarin het lot van de hele wereld soms aan een zijden draadje hing, en hele werelddelen vol haat tegenover elkaar stonden. En tegenwoordig worden moslims door sommigen als de nieuwe vijand binnen onze grenzen gezien, terwijl er omgekeerd ook moslims zijn die zich vijandig gedragen. Zo wil de echte vrede maar geen werkelijkheid worden en heerst er in plaats daarvan ontevredenheid.

Augustinus heeft ons in de eerste lezing een beetje uitgelegd hoe dat komt. Om tijdelijke vrede te realiseren zegt hij, hebben we van God instrumenten gekregen: licht, lucht en water, voedsel en kleding, die ervoor kunnen zorgen dat we in vrede in gemeenschap met elkaar kunnen leven. Als we die instrumenten maar op de juiste wijze gebruiken kunnen we de aardse vrede dichterbij brengen.

We weten natuurlijk heel goed wat de juiste wijze precies is. Drinken, voedsel en kleding worden in een adem genoemd en wijzen als vanzelf naar de werken van barmhartigheid. Maar het blijft een aardse vrede van sterfelijk, feilbare mensen. De ware vrede zullen we pas vinden in het eeuwig leven, waarin we zullen genieten van God en van onze naaste in God.

Augustinus heeft Jezus dan ook goed begrepen. “Wie mij liefheeft,” zegt Jezus immers in zijn afscheidsrede bij Johannes, “zal zich houden aan wat ik zeg, en mijn vader zal hem liefhebben, en mijn vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.” Jezus boodschap is altijd die van de Vader geweest. En het is ook de Vader die de heilige Geest zal zenden om de leerlingen bij te staan.

Wij zij de verre nazaten van die leerlingen. Dus ook wij staan er niet alleen voor. Jezus’ weg volgen eindigt niet bij zijn dood, Hij leeft voort om ons die weg te wijzen, Hij laat ons zijn vrede na, niet als kant en klaar product, maar als iets waarvoor wij dingen moeten doen en dingen moeten laten. De Geest zal er voor zorgen dat we de moed niet verliezen, de Geest zal ons inspireren bij het kiezen van de juiste weg. Maar we zullen zelf die weg moeten gaan, een ander kan dat niet voor ons doen.

Als je goed kijkt kun je bij Augustinus al heel wat praktische wegwijzers vinden: hij zei bijvoorbeeld: dat we lucht gekregen hebben. Vertaald naar vandaag zou je kunnen zeggen: laat de auto eens een keertje staan, zodat die lucht schoner wordt. We hebben water gekregen: steun projecten die in de derde wereld water brengen, zoals dat toen van Wil en Mechy en verontreinig hier het water niet. We hebben alles gekregen wat ons kan dienen om ons te voeden, te kleden, te verplegen en (heel grappig dat Augustinus dat ook noemt) ons te sieren. Van deze dingen is zo wel duidelijk dat we het niet allemaal voor onszelf moeten houden. God heeft het immers voor iedereen gemaakt, niet alleen voor het rijke westen.

De kern van mijn verhaal vond ik terug in een modern sprookje. Dat gaat zo:

Ik kwam langs een winkel en daar stond een engel achter de toonbank.
Ik ging naar binnen en vroeg: “Wat is hier te koop?”
“Wat u maar wilt,” zei de engel.
“Doet u mij dan maar eten voor alle mensen,” zei ik, “en schoon water, en onderwijs voor alle kinderen, en vrede, vooral vrede!”
“Pardon,” zei de engel, “U begrijpt me verkeerd. We verkopen hier geen vruchten, alleen zaden.”

Annemiek Alferink

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie