Liefde is eeuwig

Lezing: Apocalyps 7,2-4.9-14 en Matteüs 5, 1-12

Vrede voor jou die vreemd bent hier en vrede voor jou die altijd meeviert. En vrede voor jullie zangers en zangeressen, musici die hier te gast bent.

Verbonden zijn we met elkaar door de herdenking aan hem die ons zijn voorgegaan. Om de namen van onze dierbaren hoog te houden.
In de katholieke traditie noemen we op Allerheiligen de namen van hen die te boek en op de kalender staan en op Allerzielen de namen van hen die leefden midden onder ons. Daarom noemen we in de eerste helft van de viering de heiligen-van-naam in een bij-de-tijd-geschreven litanie. En in de tweede helft, na de communie spreken we de namen uit van de dierbaren die ons het afgelopen jaar zijn ontvallen.

Allerheiligen en Allerzielen overlappen elkaar, de mensen achter die namen gaan hand in hand: met vallen en opstaan groeiden ze in hun leven. Sommigen zijn door de kerk heilig verklaard, anderen zijn onze buurtheiligen… heilig aan jou en mij. Samen vormen ze een grote menigte die niemand tellen kan.

Wanneer het herfst is, de natuur sterft en rusten gaat, komt er tijd voor bezinning: Wie ben ik? Wie waren mijn voorouders? Wat blijft van ons over?

Overweging

“Meneer, meneer,” riep een jongetje tegen een man die aan het wandelen was. “Komt u eens kijken, er ligt hier een eend in het gras met zijn kop helemaal dubbel!” De man ging met hem mee en hij zag en zei dat de eend dood was. Ze stonden er beteuterd naar te kijken. “Zullen we hem maar begraven?” vroeg de man. Dat vond het joch een goed idee en ging snel een schep halen. Hij begon driftig te graven in de stugge graspollen. Toen het gat diep genoeg was, legden ze de dode eend met eerbied in de aarde. En de jongen dekte het dier heel voorzichtig met zand toe.

Juist op dat moment kwamen er een paar andere kinderen. Ze waren kleiner dan de jongen, 5-6 jaar. “Waar is de eend?” vroegen ze. Ze wilden hem nog zien. “Die hebben we al begraven,” zei de man. “We willen hem nog even zien.” “Dat kan niet meer,” zei de jongen, “hij is dood.” “Maar hij kan toch weer levend worden?” zei een kind, “als we nou eens eten in zijn bek doen, gaat hij misschien weer leven.” “Nee,” zei de man, “alles wat leeft gaat een keer dood, dan is het afgelopen.”

Ondertussen had de jongen een stok gevonden. Die brak hij, en op vernuftige wijze maakte hij er een kruis van. Een klein meisje plukte blaadjes uit een struik en bedekte daarmee het hoopje zand. “Alles gaat wel dood,” zei ze “maar God gaat toch niet dood?” “Jawel,” zei een ander meisje, God gaat ook dood, maar met Kerstmis wordt Hij weer geboren.”

Een verhaal uit het alledaagse leven gegrepen. De kinderen hadden een vanzelfsprekend gevoel van eerbied voor leven en dood. Ze hadden een vrij en onbedacht geloof.

Kunnen wij dat ook? Praten over de dood is moeilijk, en over een leven na de dood weten we niets. Misschien zijn wij te rationeel en terughoudend geworden in ons geloof… te karig ook in onze verbeelding.

Johannes schenkt ons een visioen dat weer vaart geeft aan ons geloof. Daar staan ze, onze doden, gekleed in stralend wit rondom het lam. Door een hel gegaan, zijn ze nu verlost. Ze vormen een grote, veelkleurige menigte en zingen met machtige stemmen. Dat is bepaald niet rationeel en terughoudend, de verbeelding is gul en vrijgevig. Johannes praat geen dood weg, maar schetst wel een doorgang door-de-dood-heen en dat opent een vergezicht.

De gedachte aan ons levenseinde kan ons somber maken. Alsof je in een donkere kamer zit waar geen licht meer door het raam schijnt. God kent onze angst en ons verdriet. Als een mens wil hij naast je staan, solidair. Bij monde van de mens Jezus van Nazareth, laat hij ons weten dat wie gelooft, eeuwig leven heeft.

En geloven begint met: die deur van je donkere kamer openzetten en het licht binnenlaten. Je hand uitsteken en de ander tot je toelaten. Voor elkaar zorgen en ontdekken wat liefde is. Gaandeweg ontmoet je dan Liefde met een hoofdletter, de liefde die God is. Onze aarzelende liefde, onze breekbare trouw brengt Hij tot voltooiing. Pijn en verdriet verdwijnen niet zomaar als je gelooft, maar ze kunnen ons niet breken. De dood slaat niet op de vlucht als je bidt, want alles wat leeft, zal een keer sterven. Maar wie geloven kan weet, dat de dood niet het laatste woord heeft. Het laatste woord is voorbehouden aan de Liefde. Liefde is eeuwig, is God.

Op Allerheiligen vieren we de mensen die op de goede weg zaten omdat ze aan liefde het laatste woord gaven. Daardoor hebben ze Gods liefde uitgestraald: “Licht dat niet dooft, Liefde die blijft”. En meteen daarop volgt Allerzielen, omdat we dan de mensen gedenken die ons lief zijn. Die ons leven de moeite waard maakten en ervoor zorgden dat wij ons geborgen en veilig voelden. Die ons ook beproefden, pijn deden soms, omdat liefde ook altijd lijden met zich meebrengt. Maar juist daardoor wordt je geschuurd en gelouterd tot de mens die jij moet zijn: deze mens!

Heiligen die een voorbeeld zijn en dierbaren die een deel van ons leven waren: we willen ze vandaag eren en bedanken, hun namen blijven noemen, om niet te vergeten.

Joost Koopmans osa
inspiratiebron: Het hoge woord eruit, Berne Heeswijk, 2000

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie