Leren van een genezing

Lezingen: 2 Koningen 5,1-19 en Lucas 17,11-19

Op het eerste gezicht gaan de lezingen van vandaag over dankbaarheid na een wonderbaarlijke genezing. De eerste lezing uit het 2e boek Koningen vertelt over een generaal van Aram, die na zijn genezing van melaatsheid besluit voortaan de God van Israël te aanbidden, een echt bekeringsverhaal. In de evangelielezing komt maar één van de tien genezen melaatsen Jezus bedanken, de anderen blijven weg. Dankbaarheid is hier dan ook zeker een thema. Maar ik zou vandaag ook nader willen bekijken wie er genezen werden en vooral wat wij daarvan kunnen leren.

Overweging

Een vriend van mij is spastisch en zit in een rolstoel. Als ik met hem in een restaurant ben, vraagt de serveerster niet aan hem wat hij wil drinken, maar aan mij: “Wat wil meneer drinken?” Iemand in een rolstoel kan niet voor zichzelf beslissen. Zijn armen en benen doen het niet, dus zal hij ook geestelijk wel niet 100% zijn. Dat hij een universitaire studie Nederlands heeft afgerond en dus doctorandus voor zijn naam mag zetten, kun je aan zijn neus niet zien. De mens gaat hier volledig schuil achter zijn handicap.

Aan hem moest ik denken bij de evangelielezing van vandaag. Jezus trok door het grensgebied van Samaria en Galilea. Daar kwamen hem tien melaatsen tegemoet. Over hen wordt verder geen informatie gegeven, mannen of vrouwen, Judeërs, Galileërs of Samaritanen, rijk of arm, ze worden volledig gedefinieerd door hun ziekte. Wel weten ze kennelijk wie Jezus is, en zijn ze op de hoogte van zijn buitengewone krachten. Van een afstand — zo hoort het immers voor de wet — roepen ze hem toe: Jezus, meester, heb medelijden met ons.

Reden genoeg om medelijden te hebben. Een melaatse had niet alleen een ziekte onder de leden die uiteindelijk tot de dood zou leiden, maar werd ook uitgestoten uit de maatschappij. Een melaatse was onrein, en alles wat hij aanraakte werd onrein. Een melaatse leefde nog wel, maar eigenlijk was hij al dood.

Jezus hééft medelijden en geeft hen, net als Eliza bij Naäman, een eenvoudige opdracht: ga je aan de priesters laten zien. Dat was bij de wet voorgeschreven: een melaatse die genezen was, moest zich aan de priesters laten zien. Dan volgde een acht dagen durend ritueel met offers, wassingen en zegenbeden, voordat iemand echt rein werd verklaard. Onderweg merkten de tien al dat ze genezen waren, zomaar zonder offers en rituelen.

Op dit punt wordt dan ook het verschil duidelijk tussen die éne samaritaan en de negen anderen van wie we kunnen vermoeden dat het joden zijn. De negen spelen op zeker, pas als ze officieel rein zijn verklaard, zijn ze het ook en kunnen ze hun oude leven weer opvatten. Samaritanen werden door de joden als ketters beschouwd, die in de joodse tempel niet welkom waren. Het had dus voor de Samaritaan weinig zin om met de anderen mee te gaan, al was hij genezen van zijn melaatsheid, hij bleef toch onrein. Maar juist deze Samaritaan heeft vertrouwen. Hij heeft geen officieel etiket nodig. Hij gelooft dat de genezing blijvend is, en juist hij gaat terug om Jezus te bedanken. Hij heeft in de gaten dat rein en onrein bij Jezus minder van belang zijn dan een oprecht hart en dus valt hij, onreine, aan Jezus’ voeten neer. Hij heeft in de gaten waar Jezus’ bijzondere gaven vandaan komen en daarom looft hij God.

God heeft geen last van vooroordelen. Voor God is iedere mens waardevol, ieder met zijn eigen mogelijkheden, met zijn fouten en goede eigenschappen. We hoorden het al in het eerste verhaal: de profeet van God in Israël geneest iemand die niet alleen maar een vreemdeling is, maar zelfs een vijandelijke generaal. Wanneer God partijdig was, zou hij beter weten: een goede vijand is immers een dode vijand. Maar Eliza als man Gods weet dat hij de wil van God doet als hij deze man juist geneest.

Ook Jezus maakt geen onderscheid tussen joden en samaritanen, hij ziet alleen mensen, mensen in nood. Dat kunnen wij van hem leren, iedere mens als mens beoordelen, niet als onderdeel van een groep. Alle moslims zijn terroristen, alle zigeuners zijn criminelen, daklozen hebben hun leven op straat aan zichzelf te wijten, mensen die kanker krijgen zijn te somber of hebben verkeerd geleefd. Geen van deze uitspraken zijn voor u nieuw, we horen ze uit den treure en niet alleen aan de borreltafel. Juist voor ons als volgelingen van diezelfde Jezus moet het duidelijk zijn hoe wij moeten spreken en handelen. Van ons wordt gevraagd dat wij iedere mens als medemens in de ogen kijken, iedereen behandelen zoals wij zelf behandeld zouden willen worden. Want dat is immers het voornaamste gebod: Bemin God boven alles en je naaste als jezelf.

Annemiek Alferink

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie