Kerstoverweging 2010: Stilstaan bij een kind

Lezingen: Jesaja 9,1-6 en Lucas 2,1-19

Stilstaan bij een kind. Een thema dat dit jaar gemengde gevoelend oproept.

Een pasgeboren kind in je armen doet je glimlachen en lieve woordjes zeggen. Het vraagt om zorg en aandacht. Maar juist in onze dagen horen we van kindermisbruik. Zoals álle kleine en weerloze mensen misbruikt kunnen worden door niets ontziende uitbuiters. In het huilen van het kind van Bethlehem, dat al op de hielen werd gezeten door een tiran, klinkt het huilen door van alle kinderen, van kleine en weerloze mensen voor wie het geen vrede op aarde is.

Als we met Kerstmis stilstaan bij het kind, bij de weerloze en kwetsbare mens, vraagt dat om geloof: het geloof dat elke mens gelijke rechten heeft voor God. Door dat geloof in praktijk te brengen eren we het kind. Genade zij u en vrede hoe dan ook, van God de Vader die ons heeft gemaakt, en van Jezus zijn Zoon en van de heilige Geest die in ons is. Wij verkondigen u vol vreugde: heden zul je het licht aanschouwen.

Overweging

Altijd en altijd ontroert het me weer opnieuw. Mensen, allemaal verschillend van hart en gezicht, oud en jong, man en vrouw, die naar de kerk komen om samen een lied van vrede te zingen en naar het verhaal van de geboorte van een kind dat als God-met-ons wordt aangeduid. Wonderlijk, want voor velen van ons valt er eigenlijk niets te zingen, niets te geloven, aangevochten als we zijn door het leven.

  • Je zult maar die zieke zijn, met een sombere toekomst voor ogen.
  • Je zult maar die weduwe of weduwnaar zijn die zich in een grote leegte voelt.
  • Je zult maar dat meisje zijn met die incestervaring.
  • Je zult maar werkloos zijn of arbeidsongeschikt.
  • Je zult maar zitten met die moeizame relatie of met die scheiding.
  • Je zult maar zitten met dat moeilijke kind of die moeilijke ouders.
  • Je zult maar zitten met die verslaving of die handicap.
  • Je zult maar uitgeprocedeerd zijn, tot een minderheidsgroep behoren, en dáárom steeds de minste moeten zijn.
  • Je zult maar pastor zijn in een tijd dat de kerk in al haar voegen kraakt…
  • Je zult maar….

En toch zingen we samen onze kerstliederen en voelen we ons opgenomen in een wonderlijke sfeer. Hoe komt dat? Wat heeft deze dag wat alle andere dagen niet hebben?

Ik denk dat ik het weet: wij hébben iets met dat verhaal dat hier verteld wordt, wij komen er zelf in voor. Dat bezwijken onder het besluit van een autoritaire overheid, dat zoeken naar een herberg, naar een beetje warmte, een beetje menselijkheid, dat wachten in de nacht, ‘volk dat dwaalt in duisternis’ en al zo lang wacht op licht, op een wonder; en dan ineens: een engel die ons de weg wijst naar het licht.

Engelen bestaan nog, meestal in iemand die op het juiste moment op je afkomt. Hij brengt je naar een hoopje mens in een kribbe, laat je stilstaan bij een kind, niet verder dan je eigen ogen, je eigen oren, je eigen hart. “Open je hart,” zingen we daarom, “geloof je ogen, vertrouw je toe aan wat je ziet: hoe het woord van God van alzo hoge, hier menselijk aan ons geschiedt.”

De herders – leden uit de onderkant van de samenleving – zagen het het eerst: we hoeven er niet meer onderdoor te gaan, onder die grootmachten, want God vindt de kleine mens zoveel waard, dat Hij in hem is komen wonen.

Met dit verhaal hebben we iets, omdat het niet alleen een verhaal is van lang geleden, maar omdat het heden en hier aan ons geschiedt. Door stil te staan bij dit kind wordt het kind opnieuw geboren: in jou, in mij, en krijgen we terug de ogen van een kind; je ziet je eigen waardigheid en de waardigheid van de ander.

Oude schoenen worden uitgetrokken, aangekoekte meningen in ons vermoeide hoofd opzij gezet. Ik vind dat zo prachtig verbeeld op het adventsschilderij, naast de kerststal de blikvanger van deze dag. Twee blote voetjes in een lichtend centrum. Geen hakken in het zand, geen dreunende laarzen van welke overheerser ook.

Een kind zo stil; en als het huilt, is het om ons tot vragende mensen te maken: “Kind, waarom huil je?” Kinderen mogen ons aanspreken op vrede en toekomst, op een goede aarde. Omdat onze zware voeten zo gemakkelijk vertrappen wat kwetsbaar is, gaan we blootsvoets verder, houden voeling met de grond, de oorsprong van ons bestaan.

Er is vandaag de dag geen ander verhaal over God, dan dat Hij gebeurt in mensen die zelf zó klein zijn geworden, dat zachtmoedigheid voortaan hun kracht is. Ze vallen niet meer aan, bijten niet meer terug, omdat het meedogenloze en het weerloze in hen verzoend is. Ze oefenen zich niet meer voor de strijd, smeden hun wapens om tot lepels, waarmee ze eten kunnen uitdelen. De wolf en het lam in hen zetten ze in om zachte krachten te ontwikkelen.

Als de waardigheid van een mensenkind wordt aangetast, komen zij voor hen op. Maar ze komen ook op voor hun eigen waardigheid als die wordt onderdrukt, of het nu uit maatschappelijke of uit kerkelijke hoek komt.

Een Boskapeller vertelt: “Ik ben gescheiden, ik heb een zoon die met zijn vriend samenwoont, ik verstrekte als maatschappelijk werker in Afrika condooms als voorbehoedsmiddel. Volgens de officiële kerk mag dit allemaal niet. Blijkbaar zijn regels belangrijker dan mensen die weerloos, wankel gelovend door het leven gaan. Maar ik laat me niet afschrijven, en ik ben blij hier een geloofsgemeenschap te hebben die mensen insluit!”

En de engel zong: “Eer aan God in den hoge en vrede op aarde voor alle mensen van goede wil.” Welkom dan in deze herberg, mens jij die gelooft, die probeert te geloven in God… wereld… elkaar. Samen zijn we sterk genoeg om niet te bezwijken onder welke autoritaire grootmacht ook. Samen zijn we sterk genoeg om te geloven in de kerstboodschap van vrede op aarde.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *