Het uitverkoren volk

Lezingen: Johan Koss in Eritrea (Almanak van Barmhartigheid), Lucas 6, 17-26

Vandaag horen we in het evangelie Lucas in zijn element. Het gaat vandaag namelijk over de tegenstelling arm-rijk en dat is een van zijn belangrijkste thema’s. De overlevering wil dat Lucas arts was en dat zal er misschien mee te maken hebben: hij zag leed en pijn van nabij. In Jezus herkende hij iemand die ook zo begaan was met de onderkant van de maatschappij. Als we naar zijn woorden luisteren zullen zij een licht ontsteken en ons de goede weg wijzen.

Overweging

“PvdA en CDA op ramkoers over rapport Davids.” “Kabinet geeft toe: oorlog in Irak was illegaal.” “Kabinet redt zich uit rapport-Davids.”

Zomaar drie krantenkoppen over hetzelfde onderwerp. Niet dat de ene krant liegt en de andere de waarheid spreekt, nee het gaat er meer om waar ze het accent leggen, welke bril ze ophebben. Datzelfde zien we bij de verschillende evangelies en de lezing van vandaag is er een heel goed voorbeeld van. We kennen de lezing van de zaligheden (ik zeg maar zaligheden, gelukkigheden is geen woord en gelukwensen is toch weer iets anders), die we ook wel de bergrede noemen, van Mattheus allemaal heel goed. Die wordt ieder jaar gelezen met Allerheiligen en straks zullen we deze versie ook nog een keer zingen. Dat is ook niet verkeerd, er zijn genoeg overeenkomsten tussen Lucas en Mattheüs om dat te rechtvaardigen.

Maar toch, de bril van Mattheüs is een andere als die van Lucas. Mattheüs is een jood die schrijft voor een joodse gemeente. Bij hem is Jezus in de eerste plaats de messias, de teruggekeerde Mozes, die immers ook op een berg Gods wet aan zijn volk gaf. Dat geeft hem tegelijk iets verhevens. Bij Lucas zien we Jezus juist van de berg afkomen naar de vlakte. De mensen staan gewoon om hem heen. Ze dringen zelfs naar hem op. Lucas is in de eerste plaats de evangelist van de gewone mensen. De armen, de zieken en gehandicapten, allemaal horen ze erbij, ze hebben zelfs Gods voorkeur. Dat blijkt uit heel veel bekende verhalen die alleen bij Lucas te vinden zijn, zoals de parabel van de Barmhartige Samaritaan, de parabel van de onwillige bruiloftsgasten en die van de rijke en de arme Lazarus. Dat is dan ook wat we hier in de zogenaamde veldrede horen: Gelukkig de armen, niet het meer spirituele van Mattheus: gelukkig de armen van Geest. Gelukkig die hongeren, niet: die hongeren naar gerechtigheid.

Al die mensen die naar Jezus toe zijn gekomen uit de verre omtrek, waren op weg gegaan omdat ze zich niet bij hun ellendige situatie wilden neerleggen. Diep in hun hart koesterden ze de hoop dat het beter zou worden. En de roep die van Jezus uitgaat geeft hun het idee dat ze bij hem terecht kunnen. Jezus geeft hun die hoop, meer nog, hij geeft ze de verzekering dat het allemaal goed komt. Vier keer worden mensen die zwaar in de problemen zitten toch gelukkig genoemd. De armen krijgen het koninkrijk van God. Die honger hebben worden verzadigd. Die nu huilen zullen straks lachen. En die worden uitgelachen omdat ze Jezus’ weg willen gaan, worden beloond in de hemel.

Jezus ziet die menigte arme sloebers staan en beschouwt hen als medemensen die er toe doen. Dat is het belangrijkste wat er is. Niemand mag gezien worden als een ding, een object, zelfs al is het een object van zorg. Dat bleek ook uit de eerste lezing over het cadeau van Johan Koss. Er was hongersnood in Eritrea. En voetballen kun je niet eten. Had Koss niet beter dat vliegtuig vol kunnen laden met voedselpakketten? Maar de president was dolblij met het cadeau omdat de Eritreërs nu gezien werden als medemensen die ook van een potje voetbal houden. Door dit cadeau werden ze gezien als “meer dan monden die moeten worden gevoed, meer dan stervenden die in leven moeten worden gehouden.” Zo gauw mensen van hun menselijkheid worden ontdaan, gebeuren er de vreselijkste dingen, zoals bijvoorbeeld te zien in de slaventijd of de tweede wereldoorlog. Joden, Roma, Sinti, homo’s werden tot niet-mensen bestempeld en dan konden ze ook worden vernietigd.

Maar, zou je kunnen zeggen, als alle mensen ertoe doen, waarom komt Lucas dan ook nog met die wee-spreuken? Zijn rijke mensen geen mensen? En wie is eigenlijk rijk? Rijk en arm zijn immers vooral relatieve begrippen. Voor mensen in de derde wereld zijn wij in het westen allemaal schatrijk. Tegelijk kennen we ook hier armen en het zijn er meer dan we zo in de gaten hebben. Ik vind niet dat ik rijk ben, maar voor mensen in de bijstand ben ik een benijdenswaardig persoon, ik heb een appeltje voor de dorst op de bank en kan mijn kapotte wasmachine zo vervangen. Het probleem van wie is nu eigenlijk rijk en wie is arm is niet op te lossen door naar de hoeveelheid geld te kijken. Misschien kan Lucas ons uit de problemen helpen wanneer we kijken naar de laatste wee-spreuk. “Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld.” Wat doen we als mensen lovend over ons spreken? We denken dat we het goed gedaan hebben, dat we niet hoeven te veranderen. Een valse profeet praat je naar de mond, bevestigt je in je eigen gelijk. Dan hoef je ook niet te veranderen, je levenswijze hoef je niet aan te passen, het is goed zo. Hoogstens ben je bang de dingen die je hebt te verliezen, en daardoor reageer je nóg verkrampter, ben je nóg banger dat er zaken op de helling gaan.
De armen die naar Jezus toekwamen vonden niet dat alles goed was zoals het was, zij hoopten op verandering, op een betere wereld. En die wereld komt er zegt Jezus, dat is immers het koninkrijk van God. Zij mogen er op vertrouwen dat uiteindelijk alle goed zal komen. De rijken onder ons kunnen daarvan leren. Ze zouden dezelfde levenshouding moeten aannemen: niet stil blijven staan bij wat je hebt, bij de wereld zoals die nu is.

Nu al weer meer dan een maand geleden beefde in Haïti de aarde. De gevolgen waren verschrikkelijk. Die gevolgen werden vele malen verergerd door het feit dat Haïti een van de armste landen ter wereld is. Slechte huizen storten nu eenmaal eerder in dan huizen die aardbevingsbestendig zijn gebouwd. Bang voor naschokken brachten de overlevenden de nacht buiten door. En toen het donker werd begon het zingen. Mensen buiten voor hun provisorische tenten zetten hymnen in. Een zin was duidelijk te verstaan: “Beni Swa Leternel.” Gezegend zij de Heer. Ondanks alles hadden zij de hoop niet opgegeven.

Annemiek Alferink

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie