Groeien in geloof

Lezing: Johannes 20, 19-31

De figuur Thomas, die centraal staat in het Evangelie van vandaag, voegt een heel eigen accent toe aan het Paasfeest. Natuurlijk is het vreugdevol om te geloven in de verrezen Heer, maar vergeet niet hoe we hiertoe gekomen zijn.

Aan het begin van onze beweging staat geen superheld, iemand die in een handomdraai succes kan bewerken. Nee, aan het begin staat een schandalig gekruisigde. Vergeet niet de weg waarlang we tot Pasen zijn gekomen: dat leert Thomas ons. Hij wil de verrezen Christus niet zien zonder de littekens van de worsteling en het lijden in zijn lichaam.

In een preek zegt Augustinus dat de kerk moet weerstaan aan de verzoeking om uit te maken wie er goed en wie er slecht leeft: “Weet je wat Christus tegen zulke mensen zegt? ‘Blijf er maar af, want je zult nog heel mijn kerk verwoesten. Er zal niets overblijven’.”

De kerk is geen beoordeelster van alles en nog wat. Zij moet weten dat zij een kerk is, waarin goed en kwaad door elkaar leven. De voornaamste taak van de kerk is uitnodigen. De Heer die een bruiloft wil geven, vertelt Jezus, zegt tegen zijn knechten: “Ga maar en nodig ieder binnen, het kan me niet schelen wie; iedereen mag erin, iedereen is welkom.” Bijgevolg maken niet de knechten uit, wie goed of slecht is, wie wel of niet binnen mag komen. Dat recht heeft alleen het hoofd van de familie, die het onderscheid tussen de gasten vaststelt. Alleen aan het hoofd van de familie, dus aan God, komt het toe uit te maken, wie erbij horen. De kerk moet alleen uitnodigen, binnenbrengen, zowel goeden als slechten. God zal wel voor de beoordeling zorgen. Dat hebben wij niet te doen.

Overweging

Het kan je ineens overkomen: dat je tijdens het uitreiken van de Communie ontroerd wordt door al die uitgestoken handen. Handen waarin het werkzame leven zichtbaar wordt; handen waarin de jaren vereelt zijn; grote handen, handen grof gelijnd of fijn verzorgd en zacht, het kleine kinderhandje.

Al die handen die zoveel vertellen over het leven, al die handen geopend om dat kleine stukje brood te ontvangen, weerloos gebaar waarmee we Hem in herinnering willen houden, die het brood is voor het leven van de wereld.

Zijn handen zegenen en genezen, breken en delen.
Zijn handen bidden en smeken.
Ze wassen de voeten van de leerlingen.

‘Kom’, zegt hij tegen Thomas, ‘bekijk mijn handen’. Er zitten nu wonden in die goede handen.

Wonden die vertellen van pijn en geweld.
Ze vertellen van Goede Vrijdag en van dood.
Ze vertellen over de wereld waarin wij leven;
Over de vele wonden die geslagen worden.

Zo’n wereld kan je uit het lood slaan. Ook al vier je Pasen, dat wil niet zeggen dat je zomaar even over de ellende in de wereld heen kunt stappen. En als pijn en verdriet jezelf treffen, jou … je allernaasten … dan schrijnt het van binnen … een wirwar aan gevoelens.

Wat dan helpt? In ieder geval: erkenning! Je wilt serieus genomen worden, erkend in wat je zozeer bezighoudt. Dat is Thomas. Zijn ogen zijn nog dof van verdriet. Hij kan niet zomaar “Alleluia” zingen als de anderen zeggen dat ze de heer na zijn dood weer hebben gezien. Zo’n geloof is hem te glad. Hij wil het paasgeloof niet aannemen als het niet uitdrukkelijk gekoppeld wordt aan de concrete, tastbare littekens van de gekruisigde.

Jezus neemt hem serieus in zijn gevoelens en nodigt hem uit om de vinger op de wonde te leggen. Alleen zo, bij het zien en aanraken van de wondtekenen gelooft Thomas in de opstanding. Hij wil blijven zien waarop zijn meester de verrijzenis heeft moeten bevechten.

Dit verhaal op de 2e zondag van Pasen wil ons duidelijk maken dat verrijzenis en wondtekenen op de een of andere manier samenhangen. Geloven in verrijzenis houdt namelijk in dat je menselijk leed in al zijn vormen onderkent en aanpakt, en daarmee doorgaat tot het bittere einde, ook al lijkt wát je doet, soms niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Want verrijzen is opstaan.

Een beter woord voor verrijzenis is dan ook opstanding. Wie in opstanding gelooft, wordt opstandig waar mensen door andere mensen onnodig geweld wordt aangedaan. Onder alle omstandigheden blijf je opkomen voor de waardigheid van de mens.
Geloven in opstanding houdt ook in dat je een manier vindt om met je eigen leed en pijn om te gaan. Dat je je niet van God afwendt, omdat Hij als “almachtige” niet ingrijpt in jouw leed. Maar als je leert om vrede te hebben met de breuken in je eigen bestaan, jou aangedaan of omdat je er zelf niet van hebt gemaakt wat je had kunnen of moeten doen.

Het Paasfeest kan ons dan de hoop geven dat dood en duistere machten níet het laatste woord hebben, omdat onze God toch een God van leven is.

Bekijk nu eens je eigen handen.

Wat hebben ze allemaal gedaan en beleefd?
Het is een meditatie, als je je handen in alle rust bekijkt.
Zonder te spreken vertellen ze een verhaal, een paasverhaal:
langzaam maar zeker open je je dichtgeknepen hand,
je schaamt je niet meer voor je littekens, want door die tekens ben je geworden wie je bent.

Ik eindig met een verhaal uit Afrika:

De vader heeft een houten beeld dat zijn zoon voorstelt. Elke keer als die zoon een fout maakt slaat hij een spijker in het beeld. En elke keer als die fout wordt goedgemaakt, haalt hij de spijker er weer uit. Op een gegeven moment, als de zoon bijna op eigen benen staat, zit het beeld vol gaten … littekens zeg maar. De jongen denkt: nu ik het huis ga verlaten, smeer ik al die gaten dicht.

Als de vader ziet, waar hij mee bezig is, zegt hij: “Nee, nee, niet doen! Want die gaten vertellen juist waarop jij je volwassenheid hebt bevochten!”

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie