Geef ons meer geloof

Lezingen: Habakuk 1,2-3 + 2,2-4 en Lucas 17, 5-10

Net als in Jezus’ tijd zijn er ook nu stromingen binnen het geloof die zoveel nadruk leggen op prestatie en radicale verandering, dat een gevoel van onmacht je bekruipt. Het lijkt onbegonnen om met dit geloof in zee te gaan. Maar in het Evangelie van vandaag beantwoordt Jezus die gevoelens van machteloosheid met een hart onder de riem: een klein geloof kan wonderen doen en een geweldige kiemkracht hebben. “Hou dus vol”, zo krijgt de profeet in de 1e lezing te horen, “want wie in zijn hart deugt, blijft overeind.”

Overweging

Wat dacht u bij uzelf, toen u de laatste zinnen uit het Evangelie hoorde? “Denk maar niet dat je iets bijzonders hebt gedaan hoor, als je je opdracht hebt vervuld. Je hebt gewoon je plicht gedaan, zoals een goede knecht betaamt.” Misschien bent u het met mijn reactie eens, vriendelijk is anders! Je wilt toch allemaal op zijn tijd wel eens een schouderklopje: “Wat fijn dat je dit gedaan hebt.” “Wat kun jij dat goed zeg!”

Maar het evangelie van vandaag klinkt nors, zo van: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Je voedt je kinderen op… nou en? Dat is toch gewoon een staaltje van je plicht? Je doet je werk nauwgezet? Aardig maar niks bijzonders. Je geeft aan goede doelen, je slooft je uit voor een vitale Boskapelgemeenschap? Dan doe je alleen je plicht… Nors en onvriendelijk klinkt dat!

Misschien moeten we eerst eens naar het overigens vreemde begin van het Evangelie kijken. Daar staat dat geloof bomen kan ontwortelen. Een heel klein geloof al, zo piepklein als een mosterdzaadje, is tot enorme dingen in staat. Een tekst die klinkt als: in je onmacht zit je kracht! In je kleinheid je grootheid! Kunnen we dáár iets mee?

Ik moet denken aan het verhaal van iemand die ik ooit in het ziekenhuis opzocht. Hij had een levensbedreigende ziekte. Een operatie zou hem 30% kans geven op overleven, zeiden de artsen. “Als het goed afloopt”, zei de patiënt tegen mij, “dan ga ik een nieuw leven leiden. Ik weet nu wat werkelijk belangrijk is.” En het liep goed af en de man deed wat hij zich had voorgenomen: een nieuw, een ander leven leiden, maar aandachtig, meer bewust, met meer oog voor de wonderen van het gewone. Zijn onmacht werd een breekpunt, een breuklijn met het verleden.

Kan onmacht je kracht zijn?

Ja, ik denk dat het Evangelie ons dát vandaag wil duidelijk maken: we hoeven geen gelovige krachtpatser te zijn! Lucas vertelt ons in zijn evangelie voortdurend hoe een stoet gelovigen er uit kan zien:

  • hij vertelt over de ongeregelde bruiloftsgasten, opgeraapt van de hoeken van de straat;
  • over een jongeman die met zijn geloof geen raad weet;
  • over een weduwe die moet leven van een karige uitkering;
  • over een tollenaar die het houdt met een bezetter.

Een grote verzameling kneuzen en schijnbare mislukkelingen met mosterdzaadgeloof! Maar, zo vertellen de verhalen ook, het is wel écht geloof, van mensen die zich niks verbeelden. En de rechtvaardige, zo profeteert Habukuk, blijft leven door zijn geloof. Mosterdzaadgeloof kan wonderen verrichten!

In dit verband las ik een verhaal van Lea Dasberg die als kind van een joods doktersgezin de oorlog overleefde. Haar moeder weigerde, in tegenstelling tot de meeste joden, alvast een koffer klaar te zetten met de kostbaarste bezittingen voor het geval de Duitsers hen zouden meenemen op transport. Zij vond dat ze niet op die fatale komst moest vooruitlopen. Het visioen op betere tijden wilde ze niet voortijdig prijsgeven. Lea zelf lag ziek op bed. Toen kwamen de Duitsers en ze commandeerden: “Kommen Sie mit!” Maar de moeder zei: “Dat kan ik niet, want ik heb een ziek kind boven.” Toen de militair ontzettend kwaad werd, moest zij gezegd hebben: “Je kunt wel zien dat u zelf geen kinderen hebt!” Waarop de man wegliep met de verzuchting: “Lassen wir das verdammte Judenweib hier!”

Een eenling die het in haar onmacht opneemt tegen een wereldmacht. Haar zwakte is haar kracht. Je doet wat je doen moet. Je zorgt voor je kind. Je bereidt je niet voor op het kwaad, al ligt het op de loer.

We zijn maar gewoon knechten. We doen niks bijzonders. We voeden onze kinderen op, we houden het uit bij een zieke, we helpen iemand door het leven. We staan open voor de nood in de wereld. We werken aan de kwaliteit van onze liturgie en gaan daar vanmiddag eens echt bij stilstaan. Niks bijzonders. Maar tel het eens op, al dat mosterdzaadgeloof: het wordt een berg waar je niet overheen kunt kijken. Het wordt: “Rijk van God”, Leven van Christus, die als eretitel draagt: “Knecht van God”. Knechten zijn we maar, in zijn voetspoor.

Ik wil besluiten met een tekst van Jean-Jacques Suurmond, pastor van een zorgcentrum. In zijn laatste column in dagblad Trouw schrijft hij:

Het is niet erg om je niet de moeite waard te voelen.
Soms hoor je zeggen dat studenten psychologie en theologie kneusjes zijn. Gelukkig maar. Was ik geen kneus, dan zou ik weinig voor anderen kunnen betekenen. Dat geldt zelfs voor God. In zijn gekruisigde Zoon weet hij hoe het is om kwetsbaar en sterfelijk te zijn. Jezus is het voorbeeld van een gewone genezer: door zijn wonden ontvangen wij genezing’.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie