De herder en de huurling

Lezingen Handelingen 13,14.43-52 en Johannes 10,11-16.27-30

Vandaag op roepingenzondag, staan in beide lezingen mensen centraal met een roeping. Het gaat er niet bepaald zachtzinnig toe. In de tekst uit het boek Handelingen horen we hoe Paulus en Barnabas in de synagoge over Jezus vertellen. Zij doen dit met een geestkracht die velen raakt maar ook leidt tot grote verdeeldheid. Het lijkt alsof de joden het woord van God afgewezen hebben.

Wat echter afgewezen wordt, is het geloof in Jezus als de Messias, niet de boodschap die hij bracht. Er ontstond ruzie om de macht en tweestrijd over de ware leer. Die vragen worden Jezus ook gesteld in zijn gesprekken met de religieuze leiders van Israel. In het antwoord worden ze met zichzelf geconfronteerd. En wij ook. Want: wie zijn de mensen die ons de blijde boodschap verkondigen?

Overweging

Op de oude saksische boerderij in Twente stonden de koeien van mijn grootvader in de winter op de deel. Het was er warm en de geuren van vers stro, koeienmest, het rustige herkauwen van de dieren gaven me altijd een gevoel van geborgenheid. Mijn grootvader kende zijn koeien bij hun naam en zij kenden hem. Toen grootvader gestorven was werd hij tussen zijn koeien weg-gedragen met in de kist stro uit de stal. Enkelen loeiden. Het was of de koeien wisten dat hun herder voorgoed voorbijging.

Mijn grootvader was een goede herder. Over goed en slecht herderschap schrijft Johannes in het jaar 70, na de val van de tempel. In dit beeld gaat het vooral om de relatie tussen herder en schapen. Een goede herder is hij of zij die zich geheel inzet voor de schapen, die de verantwoordelijkheid voor de kudde op zich neemt, die er zelfs in gevaarlijke situaties zijn leven voor waagt. De herder uit het evangelie trekt voor de kudde uit. Hij gaat geen platgetreden paden waar niets meer te vinden is. Hij leidt de schapen naar grazige weiden. Hij is er op uit dat ze een heel goed leven hebben: leven in overvloed.

Er is nog iets kenmerkend voor deze herder. Hij kent zijn schapen bij hun naam. In het hebreeuws is kennen geen rationeel iets zoals je je woonplaats kent en de namen van de straten. We hebben er in het Nederlands twee namen voor: kennis hebben van en kennis hebben aan. De gevoelswaarde van het bijbelse kennen ligt heel dicht bij elkaar liefhebben. Het duidt op de intieme omgang tussen twee mensen. Daar is het hart bij betrokken.

Johannes beschrijft hoe Jezus op het tempelwijdingsfeest in discussie is met farizeën en andere leidinggevende joden. Jezus is voor hen een buitenstaander, een vreemdeling. Ze willen heel graag weten hoe Jezus zichzelf ziet. Is hij de Messias, de zoon van God? Ze dringen op en ze dringen aan en krijgen een antwoord, maar het is niet wat ze verwachten. Jezus verwijst naar het verhaal van de herder die zijn schapen kent en ze nooit verloren laat gaan. Het is een visioen en het is de farizeën maar al te bekend. In de loop van de tijden was de herder hét beeld geworden voor de Messias, die het volk van God zou weiden. Een herder die zijn schapen liet zien dat je, naast herder, ook behoeder van elkaar moet zijn.

Dat waren de religieuze leiders uit die tijd uit het oog verloren. In de tempelhiërarchie was de stem van de Levende tot zwijgen gebracht door regels en wetten. Pseudoleiders waren het die zichzelf en elkaar weidden en hun kudde in de steek lieten. Zij werden in beslag genomen door de ritus en de voorschriften. Zij excommuniceerden en lieten schapen verkommeren. Rovers, dieven, huurlingen worden ze genoemd. Erger nog: zij zijn valse leiders, misleiders, huichelaars. Wee hen, de schapen zullen van hen wegvluchten. Zij worden leiders zonder gemeente. Jezus en de institutionele leiders van het jodendom staan tegenover elkaar. Zijn toespraak wordt een ten-laste-legging van de religieuze overheden.

Nu 2000 jaar verder, is het opvallend en beschamend! om te zien hoe deze tekst raakvlakken heeft met de situatie waarin de katholieke kerk nu verkeert. Hebben wij ook niet iets van de schare zonder herder? Daarbij worden we dagelijks geconfronteerd met berichten over misbruikaffaires door gewijde en ongewijde ambtsdragers: seksueel rnisbruik van minderjarigen. Dubbeltriest is het, dat het ook is voorgekomen bij kinderen uit achterstand-situaties, met lichamelijke en geestelijke beperkingen. Door de Paus werd destijds een geheimhoudingsdecreet uitgevaardigd .

Dit is de kerk van de doofpotmethoden. We wachten op een uitspraak dat de kerk hierin fout is geweest. Spijtbetuigingen op zich lossen niets op. Maar we horen dat de daders kunnen vertrouwen op Gods genade als ze berouw tonen en dat de slachtoffers ook moeten wachten op die genade. Het instituut heeft hun vertrouwen allang verloren, velen zijn voorgoed afgehaakt.

Deze mensen, inmiddels van middelbare leeftijd, horen dat ze delen in het lijden en onrecht dat Jezus is aangedaan en dat ze door dit lijden worden herboren tot leven en hoop. (volgens de krant heeft Paus Benedictus op 20 maart dit zo gezegd.)

Jezus noemt de slechte herders huurlingen. Ze hebben geen hart voor hun schapen. Jezus heeft deze mensen echter niet afgeschreven. Ze waren ook kinderen van het systeem. Zonder dat hun daden worden verdoezeld blijven ze wel behoren bij zijn kudde. Zolang ik bij de kerk hoor vind ik dat ik het kwaad moet benoemen. Want ook het kwaad moet gekend zijn om het te kunnen overwinnen.

Gelukkig zijn er heel veel goede herders in ons midden. Mensen die door woord en daad inspirerend werken, die je het gevoel geven dat het de moeite waard is om bij de kudde te horen. Mensen die de weerlozen bij de hand nemen, het geknakte riet niet breken, de gebogenen oprichten. Pastores die hun schapen een warme stal bieden met vers stro, ook als ze zomaar binnen komen lopen en niet bij de bekende kudde horen. Pastorale zorg is herderlijke zorg om te ontvangen en te geven.

Het is zo duister geworden in onze kerk dat je gaat verlangen naar het licht dat ons aanstoot in de morgen.

Het is vaak zo dor geworden in de kerk dat je gaat verlangen naar de steppe die zal bloeien.

Maria Schröder

Inspiratiebronnen: J. Nieuwenhuis: Johannes de Ziener
E. Drewermann: De dood die leven brengt
Kerugma 1997-1998, nr. 3

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie